Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

baak - (vast merk dat vaarwater aangeeft)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

baken zn. ‘signaal’
Mnl. in bakijn ghelde ‘belasting voor baken’ [1284; CG I, 793]; boken ‘seinteken, fakkel’ [1325-50 (dorsale aantekening bij oorkonde van 1290); CG I, 1486], baken ‘id.’ [1365-85; MNW-R]; vnnl. baeckens ‘tekens voor de scheepvaart’ [1623; WNT].
De huidige vorm met a is ontleend aan Oudfries bāken ‘signaal, baken’; boken is de klankwettige Nederlandse vorm van dit woord.
Os. bōkan ‘(wonder)teken’ (mnd. baken ‘seinvuur’, nhd. Bake); ohd. bouhhan ‘teken, voorbeeld’ [8e eeuw] (mhd. bouchen); ofri. bāken, bēken ‘signaal, fakkel’ (nfri. beaken); oe. bēac(e)n ‘teken, verschijnsel’ (ne. beacon ‘baken’); on. bákn (nde. bakke ‘baken’, bavn ‘brandstapel op een heuvel’; nzw. båk ‘vuurtoren’); < pgm. *baukna- ‘teken’. Net als voor het Nederlandse baken geldt ook voor de andere bovengenoemde vormen met a dat zij zijn ontleend aan het Oudfries, aangezien zich alleen in het Fries de Proto-Germaanse /au/ tot /ā/ ontwikkelde.
Mogelijk is pgm. *bau- ontwikkeld uit pie. *bheh2u-, met daarin de wortel *bheh2- zoals in → boenen. De Germaanse -k- is echter moeilijk verklaarbaar. Twee andere hypothesen zijn: verwantschap met Latijn būcina ‘signaalhoorn’, būcinum ‘trompetsignaal’, wat op herkomst uit de militaire taal zou duiden; en afleiding van de woordgroep rond het werkwoord → buigen met als betekenis ‘gebogen, hoekig teken’. Deze twee verklaringen lijken echter veel minder plausibel dan de eerste.
baak zn. ‘baken’. Vnnl. baecke [1599; Kil.]; nnl. baak [1778; WNT]. Jongere vorm van baken, ontstaan doordat -en als meervoudsuitgang werd aangevoeld. Minder gebruikelijk dan baken, maar standaardtalig in de samenstelling → vraagbaak.

EWN: ♦ baak zn. 'baken' (1599)
ANTEDATERING: baeck 'baken, vuurtoren' [1559; iWNT kundig]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

baak1, baken [vast merk dat vaarwater aangeeft] {baken [seinteken, fakkel] 1290, vgl. bakijn gelde 1284, baecke 1599, vgl. baectonne 1484} < oudfries baken, een germ. woord, vgl. oudsaksisch bokan, oudhoogduits bouhhan, oudengels be(a)can. De vorm baak is een verkorting van baken, dat men opvatte als een meervoudsvorm.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

baak znw., v., reeds mnl. naast het algemenere baken ‘signaal, seinvuur’, ofri. baken, beken ‘vuursignaal, fakkel’. De vorm met e ook Noordholl. reeds mnl. beeken, nu dial. bekǝn, bekum ‘vreugdevuur’. Uit een germ. *baukna, vgl. mnl. boken, bokijn ‘teken’, os. bōkan, ohd. bouhhan, oe. bēacen ‘teken’, dus germ. *baukan.

De etymologie is onzeker: 1. bij gr. phaéthōn ‘glanzend’, phaeínō ‘ik glans’, oi. vi-bhāva ‘stralend’, waarbij men dan uitgaat van een signaalvuur (zie: boek). — Modéer, NB 31, 1943, 131-149, die uitvoerig de betekenisnuancen aangeeft, denkt aan de mogelijkheid dat het woord uit de lat. militaire taal gekomen zou zijn, vgl. lat. bucina ‘signaalhoorn’, bucinum ‘trompetsignaal’. Zeer onzeker. — 3. De afleiding uit de groep van buigen, waarbij de betekenis zou zijn geweest ‘gebogen, hoekig teken (met magisch-afwerende kracht)’, die Güntert, WS 11, 1925, 134 opstelt, is af te wijzen. — Uit het fri. komt mnd. bake > nhd. bake (reeds 15de eeuw), ode. bakke, zw. båk ‘vuurtoren’ en eveneens uit het fri. on. bākn (vgl. AEW 23).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

baak znw. Een jongere, in het Mnl. zeldzame vorm, naast het oudere baken o., mnl. bâken o. “signaal, seinvuur, fakkel” ontstaan, doordat men in -en den mv.-uitgang voelde. Bâken is een oorspr. fri. woord met uit germ. au; ofri. komen voor bêken, bâken o. “vuursignaal, bruiloftsvuur, fakkel” De -vorm is speciaal owfri., in het Mnl. evenwel komt een Amsterdamsch beeken “vuren” voor en in N.Holl. bestaat, nog bêkən, bêkŭm “vuur in de open lucht, vreugdevuur”, bêkənə, bêkŭmə “vuren branden” (speciaal op S. Matthijs, Paschen e. dgl.) ʼt Tegenwoordige Fri. kent beaken en bêken “baken”. Ofri. bâken, bêken = mnl. bôken (-ijn) o. “teeken”, ohd. bouhhan o. “teeken, signaal”, os. bôkan, ags. bêacen o. “teeken” (eng. beck “wenk, knik”, beacon “baak, seinvuur”). Uit het Fri. komt ook mnd. bâke v. “baken, vuurbaken, vuursignaal, fakkel”, ook evenals baoken in de saks. streken van Nederl. “paal als wegwijzer”, uit het Ndd. weer nhd. bake v. “baken”, ode. bakke “baken”, zw. båk “vuurtoren”; direct uit ʼt Fri. on. bâkn o. “teeken”, de. baun (ode. bagn) “brandstapel op een heuvel, als seinteeken bij de komst van vijanden”. De oorsprong is onbekend, alle combinaties, ook die met gr. piphaúskō “ik geef een teeken, toon aan, verkondig” zijn weinig waarschijnlijk.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

baak. Op onvoldoende gronden betoogt Güntert WuS. 11, 134 verwantschap met de woordfamilie van buigen. De grondbet. zou dan zijn ‘gebogen, hoekig teken (met magisch-afwerende kracht)’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

baak v., Mnl. baken, gelijk Nhd. bake en On. bakn (De. baun) ontleend aan het Friesch: Ofri. báken + Os. bôcan (Mnl. boken), Ohd. bouhhan (Mhd. bouchen), Ags. béacen (Eng. beacon): niet verder na te gaan.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

baken (Oudfries baken)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Baak of baken (in zee) is aan ’t Friesche baken (= teeken) ontleend en gevormd van ’t Germ. grondwoord baukn = teeken; ’t werkw. was bauknjan = een teeken geven.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

baak vast merk dat vaarwater aangeeft 1484 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

138. Een schip (of een wrak) op strand, een baken in zee.

Wanneer een schip ergens gestrand is, dan weet een andere schipper, dat die plaats moet worden vermeden als gevaarlijk. Vandaar wil deze spreekwijze bij overdracht zeggen: men leert zich in acht nemen door het ongeluk van anderen te zien, men spiegelt zich zacht aan een ander. Vader Cats I, 637 a zegt dit in de volgende woorden:

 Een schip, op 't droogh gezeylt, dat is een zeker baken.
 En 't is, na mijn begrijp, geen onvoorsichtigh man,
 Die op eens anders feyl de sijne toomen kan.

Zie ook Smetius, 18: De beste baken in see, is een schip op droogte; Winschooten, 11: Een wrak is een baak in See, dat is, een Schip, dat vergaan is, vermaand de schippers, dat sij haar naarstelijk moeten wagten voor diergelijk ongeval; Tuinman I, 150; Harreb. I, 24 a; Ndl. Wdb. II, 878.

139. Als het (ge)tij verloopt, verzet men de baken(s),

waarnaast ook ‘als het diep, de stroom verloopt’, enz. Onder het (ge)tij verstaat men het regelmatig afwisselend opkomen en afloopen van de zee, vloed en eb, en vervolgens zooals in deze spreekwijze de strooming, de stroom. Neemt deze een andere richting, dan moeten de baken(s), welke den schipper of den loods dien stroom aangaven, verzet worden. Vandaar kreeg bij overdracht de spreekwijze de beteekenis van: bij verandering van omstandigheden neemt men andere maatregelen. Vgl. Cats I, 458: Als 't diep verloopt verset men de bakens; Zoet, 11; Halma, 37: Als het tij verloopt verzet men de bakens, quand les choses changent de face, on change de mesures; Sewel, 53: Als de stroomen verloopen moet men de baakens verzetten, one must accomodate one's self to the times; Tuinman I, 150; Harreb. I, 24 a; Ndl. Wdb. II, 879. Vgl. ook Sewel, 53: De baakens zyn verzet, daar is verandering op gekomen; B. Wolff, 63: de bakens zijn verloopen, de toestanden zijn veranderd; Wander I. 602; fri. as it tij forrint moat men de beakens forsette.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut