Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

baai - (inham)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

baai 1 zn. ‘inham van de zee’
Mnl. baeye [15e eeuw; Stall. I, 108]; vnnl. baeye [1599; Kil.].
Herkomst onzeker. Misschien ontleend aan Oudfrans baee ‘opening’ [1119], baie ‘baai’ [1364] (Nieuwfrans baie), afgeleid van het werkwoord baer, beer ‘geopend zijn, gapen’ (Nieuwfrans bayer). Dit lijkt bevestigd te worden door Catalaans badia bij het werkwoord badar ‘openen’. Ook is de herkomst van het Romaanse woord (waarnaast ook Spaans, Portugees bahia ‘baai’) onduidelijk. Er wordt wel gedacht aan Baskische oorsprong, terwijl een andere verklaring (OED) uitgaat van Franse ontlening aan middeleeuws Latijn baia [ca. 640, bij Isidorus], een vorm die mogelijk teruggaat op Latijn Bāiae (alleen mv.), de naam van een badplaats in de golf van Napels (Isidorus wil baia afleiden van het werkwoord bāiulāre ‘last dragen’ (zie → baljuw), maar dat is al met al erg onwaarschijnlijk). OED verwerpt dus rechtstreekse afleiding van baie uit een werkwoord dat ‘open staan, gapen’ betekent, maar sluit secundaire associatie met en/of herinterpretatie door dit werkwoord niet uit.
Duits Bai [15e eeuw] (wrsch. < Nederlands); Engels bay [1385].
baaizout zn. ‘keukenzout dat gewonnen wordt door verdamping van zeewater’. Mnl. bayesout ‘baaizout’ [1450-1500; MNW]. Geen samenstelling van baai, maar genoemd naar het plaatsje La Baye met de omringende streek (aan de huidige Baye de Bourgneuf bij Nantes), waar in de 14e en 15e veel zout werd gewonnen. Het was een geliefde aanlegplaats van de Hanzekooplieden in de 15e eeuw (mnd. de solt schepe, dat men de bayesche flote heeth ‘de zoutschepen die men “de vloot van Baia” noemt’). Ook het Middelnederduits heeft bayesolt ‘baaizout’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

baai3 [inham] {1617} < frans baie, vermoedelijk < spaans bahía, middeleeuws latijn baia, waarschijnlijk uit het baskisch.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

baai 2 znw. v., ‘zeeboezem’, sedert Kiliaen baeye < fra. baie, sedert de 14de eeuw < spa. bahia (voor de eerste maal bij Isidorus van Sevilla als baia overgeleverd), dat men afleidt uit bask. baia ‘haven’ (Schuchardt, ZfrPh 32, 1908, 472).

Afleiding van de naam lat. Baiae, ook genoemd sinus Baianus is weinig waarschijnlijk. — Uit het nnl. is sedert de 16de eeuw overgenomen ne. bay (W. de Hoog, Studiën over de Ned. en Eng. Taal en Letterkunde 1909, 188).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

baai II (zeeboezem), sedert Kil.: baeye. Uit fr. baie of it. baja “baai, haven”, die evenals spa. port. bahia door sommigen uit een bask. baia “haven”, door anderen uit den romeinschen plaatsnaam Bâiae, die ook = Sinus Bâianus voorkomt, worden afgeleid. Uit het Fr. ook eng. bay, en uit het Ndl. via het Ndd. hd. bai m., de. bai. Opvallend is de bet. “venster, gat in een muur” van fr. baie, mhd. beie v., eng. bay. — Als ʼt eerste lid van baaizout mnl. bayesout, bayes sout o., baye (v.?) terecht voor een afl. van baye = “golf van Biscaje” wordt gehouden, moet baye “baai” reeds in ʼt Mnl. bestaan hebben. Vgl. eng. baysalt, hd. bai-, boisalz o.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

baai 1 v. (inham), gelijk Eng. bay en Hgd. bai, uit Fr. baie, van Sp. baja (Isid. van Sevilla reeds heeft baiœ); van daar ook Port. bahia, Mlat. en It. baia: oorspr. onbek. Voor velen de plaatsnaam Baide, thans Baie. Fr. baie = opening in een muur, is een ander w.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

baaj (zn.) inham; Middelnederlands baeye <1400-1500> < Frans baie

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1baai s.nw.
Inham van 'n see of meer.
Uit Ndl. baai (1598). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
Ndl. baai uit Fr. baie 'baai' of It. baja 'baai, hawe', wat volgens sommige 'n afleiding is van die Romeinse pleknaam Bâiae.
D. Bai (17de eeu), Eng. bay (1385).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

baai (Frans baie)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Baai, zeeboezem, inham. Ontleend aan het romaansch, spa. en port. bahia, fra. baie. Misschien is dit weder uit ’t baskisch afkomstig. Een samenstelling van dit woord is baaitabak, dat met weglating van het tweede deel weder baai werd. Friesche baai, heerenbaai. Benaming van de beste soort Marylandtabak, misschien omdat zij uitgevoerd werd uit de baai, waaraan Maryland ligt (N. Wdb. II, 801).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

baai ‘inham’ -> Duits Bai ‘inham’ ; Deens † baj ‘inham’; Noors bai ‘inham’; Negerhollands bai, bay ‘inham’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

baai inham 1617 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut