Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

azijnpisser - (chagrijnig persoon)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Voor een uitgebreide verhandeling over het woord azijnpisser zie:

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

azijndrinker, azijnpisser, azijnzeiker, azijnzuiper: chagrijnig persoon; zuurpruim*; kniesoor*. Het gaat hier om een leenvertaling uit het Frans (in deze taal werd pisse-vinaigre reeds in 1628 opgetekend en dit voor zowel ‘vrek, gierigaard’ als voor ‘chagrijnig, sikkeneurig persoon’). In Vlaanderen raakte de leenvertaling rond 1900 in zwang, waarna het woord later ook in Nederland bekend raakte, aanvankelijk in militaire kringen. Bij Van Dam wordt azijnzijker omschreven als ‘een zure vent’. In een aantekening van Beets uit 1936 werd azijndrinker gevonden in de betekenis van ‘zwartkijker’. Een zuur echtpaar noemt men wel eens spottend een azijnstel.

Azijnzeeker: spotnaam aan de inwoners van Temsche gegeven. Die van Sint-Niklaas heeten oliezeekers. (Amaat Joos, Waasch Idioticon, 1900-1904)
En wie gelachen heeft is ontwapend en ik zou wel eens willen zien wie gisteravond niet gelachen heeft. Dat moet dan wel een doorgefourneerde azijndrinker zijn. (Het Vaderland, 27/06/1942)
‘Er gaat geen week voorbij,’ zo zegt een heer De Boer, ‘dat er niet een paar, mijns inziens azijnzuipers zijn die de VARA afkammen.’ (Gerrit Komrij, Horen, zien en zwijgen, 1977)
Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

762. Een haarkloover

is iemand, die een haar klooft, vaneen splijt, doch in figuurlijken zin, iemand, die beuzelachtige onderscheidingen maakt, nietige verschillen wil opmerken, een muggezifter, een vitter, een gortenteller, zemelknooper (Sart. II, 10, 93), azijnzeiker (Antw. Idiot. 1551). Zie Campen, 95: t' Is een recht hayr cloever; Harrebomée III, 210; Ndl. Wdb. V, 1448. In Zuid-Nederland zegt men in denzelfden zin een haarkliever, haarzifter en haarsplijter; fr. un homme à fendre un cheveu en quatre; mnd. hârklôver; hd. ein Kümmelspalter; Haarklauber, -spalter; eng. a hairsplitter; ook in 't Zweedsch en Deensch is het bekendFranck-v.Wijk, 223..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut