Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

avond - (dagdeel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

avond zn. ‘dagdeel’
Onl. auont, auonde (datief) [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. auent [1240; Bern.], auont [1240; Bern.], auunt [1220-40; CG II, Aiol], auende (datief) [1254; CG I, 59].
Os. āƀand; ohd. āband (nhd. Abend); ofri. āvend, ēvend (nfri. jûn) oe. ǣfen (ne. eve ‘vooravond’); on. aptann ‘de tijd tussen 3 en 9 uur’ (ozw. afton, aftan met schrijfvariant aptan; nzw. afton; nde. aften). Bij deze groep uit de Scandinavische landen lijkt zich Engels æften en æftentīd ‘avondtijd’ aan te sluiten (korte beginvocaal en dentaal na -f-). Naast de mogelijkheid van een gezamenlijke grondvorm, mag met betrekking tot de Engelse vormen niet uitgesloten worden dat er sprake kan zijn van Scandinavische invloed of aanpassing aan oe. æftan (ne. after). Het Gotisch kent geen vergelijkbare vorm; het begrip wordt door got. andanahti, letterlijk ‘voornacht’, resp. door omschrijvingen met got. seiþus ‘laat’ weergegeven.
Een eenduidige Proto-Germaanse stam kan niet gereconstrueerd worden. Ohd. āband wijst op pgm. *ābanþ-; de Oudsaksische, Nederlandse en Friese vormen op pgm. *āband-; oe. ǣfen op pgm. *āban(d)j; en de Scandinavische vormen op pgm. *aften-, *aftin-, met een korte -a-, een dentaal na -f- en geen slot-dentaal.
Mogelijk moet men uitgaan van een pie. consonantstam die als *eh1pōnt, *h1pnt- gereconstrueerd kan worden. Op deze wijze kan de a- echter niet verklaard worden. Pie. *h1ptōnt (nominatief ev.) kan, uitgaande van het wegvallen van de slot-t, verantwoordelijk zijn geweest voor het ontstaan van pgm. *aftan- (*aftin-). Vervolgens kan *ēptnt-, na de verdwijning van de interconsonantische -t- (tussen p en n), pgm. *ābund- opgeleverd hebben. Het wegvallen van de -t- in deze positie is verder echter alleen aanwijsbaar binnen de ontstaansgeschiedenis van pgm. *sebun (zie → zeven 1), welk woord voortgekomen kan zijn uit pie. *sepmt < *septmt < *septm. Het wegvallen van de -t- tussen p en n is dus geen gangbare ontwikkeling en moet met enig wantrouwen bezien worden. Het tweede deel van de gereconstrueerde grondvorm pie. *ēp(t)ont (*-ent) kan mogelijk vergeleken worden met de afleidingslettergreep -ent-, die optreedt in bepaalde tijdsaanduidingen zoals Sanskrit hemantá ‘winter’ en vasantá ‘lente’. Zekerheid bestaat er ook niet over de ontstaansgeschiedenis van het woordbegin āb-, af-. Men heeft gedacht aan samenhang met het partikel pie. *opi. Dit partikel is aanwijsbaar in onder meer Latijn ob ‘tegen, naar’; Grieks epí, épi ‘op, naar ... toe’, opsé ‘laat’ (> opsíā ‘avond’), opṓrā ‘laatzomer’; Sanskrit ápi ‘ook’, aparám, ápara ‘later’; Avestisch aipi ‘ook, naar, op, tot, aan’; Oudiers iar n- ‘na’. Pgm. *ābanþ-, -d-, *aftan-, *aftin- zou, uitgaande van de betekenis ‘later deel van de dag’, aansluiten bij deze groep. Volgens een recente theorie wijzen de ongewone wisselingen en de beperkte verspreiding van het woord op niet-Indo-Europese herkomst.
In het Middelnederlands betekent het woord naast ‘avond’ ook ‘dag vóór een kerkelijk feest’. Deze laatste betekenis is ontstaan naar de oude opvatting dat de dag met de voorafgaande avond begint. Bij uitbreiding kon dit worden opgevat als de gehele dag vóór de feestdag, zoals Duits Sonnabend ‘zaterdag’, de dag vóór Sonntag dus; ook Kerstavond, oudejaarsavond (Engels New Year's Eve bij evening ‘avond’), Dertienavond, Driekoningenavond, Sinterklaasavond, Engels Halloween (All-Hallow-Even ‘Allerheiligenavond’).
Lit.: Beekes 1996, par. 7; Philippa 1987

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

avond* [tijd waarin de duisternis intreedt] {avont 901-1000} oudsaksisch aƀand, oudhoogduits abunt, oudfries ewend, oudengels æfen (engels eve), oudnoors aptann; herkomst onzeker; mogelijk verwant met grieks opsia [avond], oudindisch apara [terug, westelijk].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

avond znw. m., mnl. avont, avent, onfrank. avont, avant, os. aƀand, ohd. abunt, abant, oe. æfen (ne. eve), waarnaast on. aptann.

De on. vorm wijst op *aftanþia, de westgerm. daarentegen op *afanþija, afanðija (onzeker of door uitstoting van de dentaal door dissimilatie en daarna met vocaalrekking), vgl. nog oe. æften, (vgl. E. Schwarz, Goten, Nordgermanen Angelsachsen 1951, 229). Verschillende etymologieën zijn gegeven: 1. afleiding van een germ. woord, dat men dan verder stelt tot lat. ob ‘tegen, naar’, opacus ‘van de zon afgewend’, gr. epì ‘op, naar . . . toe’, ópisthe ‘achter’, opsé ‘laat’, ópōra ‘laatzomer’, oi. apara, apāñc ‘terug, westelijk’, api ‘tot, bij’, lit. ap ‘om, omheen’, lett. ap-’om, over’, oiers iar n- ‘na’, arm. ev ‘en, ook’ (IEW 324). — 2. T. Johannisson MASO 5, 1943. 50-75 denkt aan een heel andere afleiding van on. aptann (vgl. AEW 11), maar moet dit woord dan ook scheiden van de westgerm. woorden, wat wel bedenkelijk is.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

avond znw., mnl. âvont, âvent (d) m. = onfr. âvont, âvant, ohd. âbunt, âbant (nhd. abend), os. âƀand, ags. æ̂fen (-en voor -end naar morgen, evenals north. êfern -ern naar undern “voormiddag” heeft; eng. eve) m. “avond”. De vergelijking met on. aptann, eptann m. “avond, namiddag” wijst er op, dat wgerm. * âƀanda-, oergerm. *êƀanða- (-unða-) ƀ uit pt heeft evenals germ. *seƀun (zeven II). De auslaut van de on. woorden kan als die van ags. æ̂fen verklaard worden. Minder waarsch. is, dat de wgerm. stamvorm een jongere -d zou hebben. De uitgang -anða-, -unða- herinnert aan dien van oi. hemantá- “winter”, vasantá- “lente”: zulke woorden op -n-to- zijn uit stammen op -n- (of heteroclitisch n : r) gevormd. Wij komen zoo tot idg. grondvormen *epton-tó-, *opton-tó-, met vṛddhi *êpton-tó-. Het eerste lid zou een afl. van de voorzetselbasis ep-, op- kunnen zijn, waarvan o.a. got. iftuma “de volgende”, lat. ob “tegen, tegemoet”, osk. úp “bij”, gr. epí, épi “op, bij, aan”, lit. apë̃ “om, van (lat. de)”, alb. épɛrɛ “boven zijnd”, arm. ev “en, ook”, oi. ápi “ook”, av. aipi “ook, naar, op, tot, aan”. Voor de bet. vgl. gr. opsé “laat”, ier. s-iar “westelijk”, an-iar “van het westen” (*epero-m). Men heeft ook aan samenhang van avond met af, achter gedacht: semantisch zou dat kunnen, maar het ě-o-vocalisme is een bezwaar. Wel kan deze woordfamilie op ʼt consonantisme van on. aptann en ags. æftentîd “avond” invloed gehad hebben.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

avond. Dat ags. æ̂fen(n), een ja-stam (gen. æ̂fennes), -en uit -end zou hebben door invloed van de a-stam morgen (gen. morgenes, mornes), is niet zonder bezwaar, maar een betere verklaring is moeilijk te geven.
Ter verklaring van de afwijkende scand. vormen neemt Petersson Idg. Heterokl. 53 een idg. heteroclitisch paradigma aan (-r: -n: -t!). Zeer gewaagd, evenals zijn verdere combinatie met gr. ēperopeús, -peutḗs ‘bedrieger, verleider’, lett. e͂na (*êpnâ-) ‘schaduw, schim, spook’. Vooral niet beter Loewenthal Ark. 33, 105, die van een idg. basis *ap-, *ep- ‘lichten’ uitgaat, waarbij hij ook gr. Apóllōn en de woordfamilie van esp brengt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

avond m., Mnl. avont, Onfra. âvant, Os. âƀand + Ohd. âband (Mhd. âbent, Hgd. abend), Ags. æ΄fen (Eng. eve, even-ing), Ofri. áiond, On. aptann (Zw. afton, De. aften), Go. niet gevonden: uit Idg. *êptontos + Skr. api = ook, Gr. épi = op, bij, opsé = laat, ópōra = achterzomer, Lat. ob = tegen, Oier. s-iar = westelijk, uit *eperom (On. = Idg. *optonos; voor Germ. ƀ, v uit Idg. pt vergel. zeven).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

aovend (zn.) avond; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) ovend, Aajdnederlands auont <901-1000>.

F. Debrabandere (2011), Limburgs etymologisch woordenboek: de herkomst van de woorden uit beide Limburgen, Zwolle

amend, zn.: avond. Door wisseling van de bilabialen b/m naast D. Abend.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

aand s.nw.
Tyd tussen sononder en slaaptyd of nag.
Sametrekking van Afr. awend, met lg. uit Ndl. avend naas alg. avond (al Mnl.).
Vgl. avondmaal, awendrood.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

aand: – awend (ouer vorm nog in Awendland, Awendmaal) – ; Ndl. avond, Hd. abend, Eng. eve/even- in ss. eventide en afl. evening, met -ing uit ouer -ung, herk. hoërop onseker, v. ook naand en saans, asook oggend.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Avond. De afkomst van dit woord is nog niet opgehelderd. De voorstelling, als zou het van af, ave komen en dus de afnemende (de „avende”) bet., is onmogelijk; immers de Germanen rekenden den avond reeds tot den volgenden dag en wel als ’t begin (zie Dag), bijv. op Meiavond (d.i. de avond van 30 Apr.), Kerstavond (avond van 24 Dec), St.-Nicolaasavond (avond van 5 Dec.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

avond ‘tijd waarin de duisternis intreedt’ -> Negerhollands avond, navont ‘tijd waarin de duisternis intreedt’; Berbice-Nederlands tafn ‘tijd waarin de duisternis intreedt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

avond* tijd waarin de duisternis intreedt 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

125. Hoe later op den avond hoe schooner volk,

een gezegde, dat de Duitschers in dezelfde beteekenis kennen als wij, blijkens Wander I, 7: Je später um den Abend, je schöner die Leute (oder Gäste), ein Compliment, mit dem der Holsteiner um die Abendzeit anlangende liebe Besuche zu empfangen pflegt; Eckart, 2: Je later up 'n Avend, je moier de Lü; je later up den Dag, je beter Lüde (Taalgids IV, 275). Bij ons dagteekent deze zegswijze uit de 17de eeuw; zie Paffenr. 62: Hoe later op den dagh hoe schoonder vollik; Kluchtspel III, 307: Hoe laater op den dag, hoe schoonder volk. Wie heeft zijn leeven! Een veenboer in een koffyhuis! Janus 48: Hoe later op dena vond, hoe zoeter gezelschap; in Zandstr. 90: Hoe later in den avond hoe beter volk; Schuermans, Bijv. 15 b; in Zuid-Nederland ook hoe later op den avend hoe viezer (= vreemder) of schoonder volk, omdat men dan meer gedronken heeft (Antw. Idiot. 169; Teirl. 88); Gron.hou loater op de oavend, hou mooyer volk (of ), een compliment voor een bezoek, laat in den avond (Taalgids IV, 275); de. jo sildigere om Aftenen, jo smukkere Folk.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut