Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

averechts - (tegenovergesteld; met omgekeerde breisteek)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

averechts bn. ‘tegenovergesteld; met omgekeerde breisteek’
Mnl. auerecht ‘ondersteboven’ [1265-70; CG II, Lut.K], averechts ‘van de rechte weg af’ [1423; MNW]. Nu vooral bekend als handwerkterm [1821; WNT Supp.].
Afleiding met bijwoordelijke → -s van averecht, uit ave, een Middelnederlandse nevenvorm van → af; en het bn.recht 1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

averechts bw., mnl. averecht (dus nog zonder bijw. s) ‘omver, andersom, verkeerd’, als bnw. ‘verkeerd, omgekeerd’, mnd. averecht (term uit de weverij); gevormd uit ave (zie: af) en recht. Met dezelfde betekenis zijn van af afgeleid: os. aƀuh, avuh ‘afgewend, verkeerd’, ohd. abuh, abah, oe. awkward ( < oe. *afoc), on. ǫfugr, naast got. ibuks — osl. opakŭ ‘wederom’, opače ‘terug’, oi. apāka- ‘achteraan gelegen’. Mogelijk ook mnl. aves ‘omgekeerd, averechts’ (indien uit avichs).

Dialectische nevenvormen zijn vla. overecht(s) (reeds bij Kiliaen), klaarblijkelijk onder invloed van over, maar oostnl. over recht ‘supinus’, vertoont de wisseling van o en a, zoals ook in kate naast kote (zie: keuterboer). — (Zie daarvoor v. Haeringen, Suppl. 8).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

averechts bijw. Met bijwoordelijke s van mnl. āverecht (zelden reeds āverechts) “omver, andersom, verkeerd”, als bnw. “verkeerd, omgekeerd”. Een samenst van āve (= af) en recht I, evenzoo mnd. āverecht (weverijterm).

averechtsch bnw., is uit averechts bijw. voortgekomen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

averechts. Vla. overecht(s) (reeds Kil. signaleert over-recht als ‘Fland.’) is blijkbaar naar over gewijzigd. Oostmnl. (Gloss. Bern) over recht ‘supinus’ zal wel een etymologische spelling zijn voor averecht, bevorderd door oostmnl. āver = ōver (vgl. keuterboer).
Een vreemde vorm is ḕvirèhts (umlaut) te Bree (Leuv. Bijdr. 14, 40). Wellicht te verklaren uit contaminatie met *evig = mhd. ebich ‘verkeerd, afgekeerd, links’ (nhd. äbig, äbicht). Vgl. verder ohd. abuh, os. aƀuh ‘verkeerd, slecht’, on. ǫfugr ‘omgekeerd, verkeerd’, wsch. een afl. van af. Hierbij ook mnl. āves ‘omgekeerd, averechts’ (< *āvichs) met adverbiale -s?

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

averechts bijw., met de adverb. s uit Mnl. averecht, gevormd met ave, vollen vorm van af, en recht (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

aweregs b.nw.
1. Omgekeerd, met die verkeerde kant voor, die teenoorgestelde van wat gewoon is, onderstebo, agterstevoor. 2. Anders as wat verwag word of behoorlik is, verkeerd, onjuis, onoordeelkundig.
Uit Ndl. averechts in die bet. 'verkeerde gewoonte' (1540) 'binnenstebuite' (1552), 'onverstandig, onoordeelkundig' (1573) 'teenoorgestelde van die normale' (1623), t.o.v. breiwerk en steke (1821). Ndl. averechts is 'n afleiding met -s van averecht (al Mnl.), met lg. 'n samestelling van ave, 'n ouer vorm van af, en recht 'reg'. Hoewel die bet. 'binnestebuite, keersy' (soos in aweregse kant van 'n kledingstuk) en 'verdorwe' (soos in aweregse geslag) in Ndl. tans verouderd is, geld albei nog in Afr.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

aweregs: in Afr. hoofs. bek. i.v.m. breiwerk; Ndl. averechts (byw. vorm v. averecht, reeds Mnl.), “andersom, omgekeerd”, ss. v. ave = af + recht.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Averechts staat voor ave - recht + s, waarin ave de volle vorm van ons af is en een richting van een voorwerp af aanduidt. Vgl. ’t Mnl.: „Die helm was so vast, dat dat swert daer ave spranc”. Het woord bet. dus: van rechts afgewend, de kant tegengesteld van den rechten, goeden.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut