Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

autoriteit - (gezag; gezagsdrager)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

autoriteit zn. ‘gezag; gezagsdrager’
Mnl. auctoriteit ‘algemene geldigheid’ [1240; Bern.], ‘gezag’ [1265-70; CG II, Lut.K]; vnnl. auctoriteijt ‘gezag, wettige macht’ [1510; WNT], autoriteyt ‘goddelijk, geestelijk of kerkelijk gezag’ [1540; WNT], authoriteyt ‘gezag, wettige macht’ [1574; Kil.].
Al dan niet via Oudfrans auctorité [1119; Rey] ontleend aan Latijn auctōritās ‘gezag, waarborg’, letterlijk ‘het auctor zijn’, afgeleid van auctor ‘ontwerper, schepper, woordvoerder, zegsman’, zie → auteur.
Net als bij auteur is de -ct- onder invloed van het Frans geassimileerd tot -t-. De voor het Nederlands karakteristieke uitgang -eit is gebleven.
autoriseren ww. ‘machtigen, vergunning geven, erkennen’. Mnl. auctoriseren ‘heilig verklaren’ [1300-50; MNHWS], ‘machtigen’ [1452-88; MNHWS]; vnnl. auctoriseren “macht te geuen” [1503; Boutillier], autoriseren [1535; MNHWS]. Al dan niet via Oudfrans actoriser, autorizer, auctoriser, authoriser [12e eeuw] ontleend aan middeleeuws Latijn auctorizare, afgeleid van Latijn auctor in de specifieke juridische betekenis ‘(waar)borg’.

EWN: autoriteit zn. 'gezag; gezagsdrager'; de vorm autoriteit (1540)
ANTEDATERING: autoriteiten van rechte 'met recht gezaghebbende schrijvers (?)' [1340-60; MNW-P] (1540)
EWN: ♦ autoriseren ww. 'machtigen, vergunning geven, erkennen' (1300-50)
ANTEDATERING: Mar dat nes niet gheauctoriserd 'maar dat is niet erkend (canoniek)' [1285; VMNW]
Later: Om sine bouke te autoriseerne 'om zijn boeken te laten erkennen' [1300-25; MNW-R] (EWN: 1535)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

autoriteit [gezag] {au(c)toriteit 1240} < oudfrans autorité of direct < latijn auctoritatem, 4e nv. van auctoritas [gezag, garantie, machtiging, autoriteit], van auctor (vgl. autoriseren).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

autoriteit ‘gezag’ -> Fries autoriteit ‘gezag’; Indonesisch otoritét ‘gezag’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

autoriteit gezag 1240 [Claes Tw. 9] <Frans of Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut