Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

autonoom - (zelfstandig, onafhankelijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

autonoom bn. ‘zelfstandig, onafhankelijk’
Nnl. autonoom ‘id.’ [1802; WNT Supp.].
Ontleend aan Duits autonom [18e eeuw] < Frans autonome [1751] < Grieks autónomos, gevormd uit autós ‘zelf’, zie → auto-, en nómos ‘wijze, gewoonte, principe, wet’, zie → -nomie.
Het woord is pas rond 1800 in gebruik gekomen, met name door zijn betekenis in de filosofie van Kant. In de jaren 1980 zijn politieke groeperingen ontstaan die het anarchisme aanhangen en zichzelf De Autonomen gingen noemen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

autonoom [zelfstandig] {1877} < grieks autonomos [onafhankelijk, zelfstandig, volgens eigen beschikking], van autos [zelf] + nomos [wijze, gewoonte, principe, wet], van nemein [beheren, geven].

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

autonoom ‘zelfstandig’ -> Indonesisch otonom ‘zelfstandig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

autonoom zelfstandig 1877 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut