Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

autobus - (motorvoertuig voor het vervoer van meer dan acht personen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

bus 2 zn. ‘voertuig voor openbaar vervoer’
Nnl. bus ‘voertuig’ [1887; WNT].
Een verkorting van → omnibus 1 ‘voertuig voor meer personen’ [1832; Weiland]. Deze rond 1825 in Frankrijk ontstane term gaat terug op Latijn omnibus ‘voor allen’, de datief meervoud van omnis. De verkorte vorm bus is eerst in het Engels opgetekend.
De verkorting van het internationale omnibus treedt al in 1832 [OED] in het Engels op en wordt daar algauw de gebruikelijke benaming. Of het Nederlandse bus hieraan ontleend is of uit eigen beweging is ontstaan is niet met zekerheid te zeggen. In 1893 wordt bus door het WNT nog platte volkstaal genoemd, maar al kort na de eeuwwisseling is het in de woordenboeken alom aanwezig. Het heeft inmiddels omnibus volledig verdrongen.
autobus zn. ‘id.’. Nnl. De autobussen, nu nog in de windselen, gaan ... een groote toekomst tegemoet [1906; WNT]. Ontleend aan Frans autobus [1906; Rey] of Engels autobus [1899; OED]. In een van de twee, of in beide onafhankelijk ontstaan, is het een nieuwvorming bij het oudere bus (zie boven), naar analogie van oudere woorden als Frans autocar ‘publiek vervoermiddel’ [1896; Rey], Engels autocab ‘id.’ [1897; OED], met als eerste lid het verkorte → auto voor automobiel. Na het tijdperk van de door paarden voortgetrokken bus kon autobus hiermee volledig synoniem worden.
Lit.: Grauls 1991, 209

EWN: bus 2 zn. 'voertuig voor openbaar vervoer' (1887)
ANTEDATERING: een geïsoleerd geval: met de Bus 'met de omnibus' [1863; Dagblad van Zuidholland en 's Gravenhage (KB) 25/6]
Later: bus 'omnibus' in: De Dame, die ... met de Bus Dam-Plantage ging [1882; NvdD 29/3]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

autobus znw. m., nieuw gevormd woord uit de woorden auto(mobiel) en (omni)bus.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

autobus ‘motorvoertuig, ingericht voor het vervoer van meer dan acht personen’ -> Indonesisch autobis, otobis ‘voor personenvervoer ingerichte omnibus’; Jakartaans-Maleis otobis ‘gehuurde bus die veel passagiers kan vervoeren’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut