Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

authentiek - (oorspronkelijk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

authentiek bn. ‘oorspronkelijk’
Mnl. autentijc ‘overeenstemmend met het origineel’ [1451; MNHWS]; vnnl. aucktentijck [1500; WNT], auctentijck ‘dat wat bevestigd is’ [1553; Werve] (wrsch. met pseudo-etymologische spelling onder invloed van mnl. auctoriseren, zie → autoriteit), authentique [1612; WNT], authentijcq [1622; WNT].
Ontleend aan Frans authentique [12e eeuw] < Latijn authenticus ‘met eigen hand voltrekkend, veroorzakend’ < Grieks authentikós van het zn. authéntēs ‘die zelf doet’, gevormd uit autós ‘zelf’ (zie → auto-) en *héntēs ‘volbrenger’, aanvankelijk vooral als rechtsterm gebruikt.

EWN: authentiek bn. 'oorspronkelijk' (1451)
ANTEDATERING: onder zeghel autentijc 'onder met het origineel overeenstemmend zegel' [1379; iMNW quitesceldinge]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

authentiek [oorspronkelijk] {autentijc 1451} < latijn authenticus < grieks authentikos [de eerste oorzaak betreffend, uit de eerste hand], van authentès [met eigen hand voltrekkend, veroorzaker] → efendi.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

authentiek (Frans authentique)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Authentiek (Gr.: authentikos = gewaarborgd, echt) noemt men in de letteren een geschrift of oorkonde, wanneer aan de echtheid geen twijfel kan bestaan; het tegengestelde is dus: verdicht, vervalscht, ook ingeschoven. Zoo spreekt men van een levensbeschrijving “naar autenthieke bronnen bewerkt”, bijv. naar brieven, een dagboek, enz. van den behandelden persoon.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

authentiek ‘oorspronkelijk’ -> Indonesisch auténtik, oténtik ‘oorspronkelijk; betrouwbaar; werkelijk, echt’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

authentiek oorspronkelijk 1451 [HWS] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut