Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

aula - (gehoorzaal)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

aula zn. ‘gehoorzaal’
Vnnl. Hy quam daer gelijck een Konick in syn Aula, in syn Hof [1634; WNT welkomen I]; nnl. aula ‘voorhof van een kerk’ [1858; WNT Supp.], “groote gehoorzaal van hoogescholen” [1864; Calisch].
Ontleend aan Latijn aula ‘voorhof voor Griekse gebouwen; stal, paleis, hof’, later ‘tempel, kerk’ < Grieks aulḗ ‘hof, binnenplaats (verzamelplaats) voor het gezin; ligplaats (voor vee)’, algemeen ‘woning’, later ‘woning van vorsten, hof’. Dit woord is afgeleid van de stam van het werkwoord iaúein ‘slapen, rusten’.

EWN: aula zn. 'gehoorzaal'; de betekenis 'gehoorzaal' (1864)
ANTEDATERING: bracht men ... uit de Aula de vaandels weg [1837; AHB 25/12]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

aula [binnenplaats, gehoorzaal] {1634} < latijn aula [hof voor het vee, voorhof, binnenhof, paleis, tempel, kerk, me. lat. ook: ridderzaal, gerechtszaal, overdekte markt] < grieks aulè [ligplaats voor het vee, binnenplaats van boerderij, omheining, hofstede, woning (vooral van vorsten)], verwant met iauein [slapen, rusten].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

aula (Latijn aula)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Aula. Dit Lat. woord (bij de Grieken aulè) duidt tegenwoordig de zoogenaamde groote gehoorzaal van een academie aan, waarin allerlei plechtigheden, als redevoeringen, examens, enz. plaats hebben. Het woord heeft een geheele reeks van begrippen doorgemaakt. Oorspr. was het in de Gr. huizen de open verlichte ruimte, door verschillende vertrekken omgeven, het middelpunt dus van het woonhuis. Bij de Romeinen noemde men aula het open terrein vóór een aanzienlijk huis, waaromheen de stallen enz. lagen. Ook ’t paleis der vorsten zoowel als hun hofhouding heette aula. Bij de eerste Christenen was het de naam voor den voorhof der kerken, later werd zoowel het schip als de geheele kerk aula geheeten, totdat eindelijk het woord zijn huidige beteekenis verkreeg.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

aula ‘grote gehoorzaal’ -> Indonesisch aula ‘grote gehoorzaal’; Kupang-Maleis aula ‘grote gehoorzaal’; Menadonees aula ‘grote gehoorzaal’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

aula grote gehoorzaal 1864 [WNT Suppl] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut