Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

augurk - (klein soort komkommer (Cucumis sativus))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

augurk zn. ‘klein soort komkommer (Cucumis sativus)’
Vnnl. agurken [1651; WNT], agoriken [1695; Ende]; nnl. agoritjes, aguretjes (mv.) [1717; Marin], agurrikjes [1729; Halma], augurkjes [1769; WNT].
Via mnd. gurken [1579], augurken [1582] ‘augurk, komkommer’, ontleend aan een Baltische of Slavische taal, wrsch. Litouws agurkas of Pools ogórek /ogurek/. De Balto-Slavische vormen (ook bijv. Russisch ogurets) zijn met een verkleiningsachtervoegsel gevormd uit Middelgrieks angoúrion ‘id.’, bij het bn. ágouros ‘groen, onrijp (van vruchten)’. Aangenomen wordt dat dit is afgeleid van Grieks áōros ‘onrijp’ ter onderscheiding van de rijp gegeten watermeloen.
De vrucht stamt uit het noorden van India en is via het Byzantijnse rijk naar Oost-Europa gekomen. Doordat de klemtoon op de tweede lettergreep lag, bestaat ook de dialectvorm gurk (zoals bij juin uit → ajuin en pul uit → ampul), net als in Hoogduits Gurke ‘augurk, komkommer’. Aan het Nederlands ontleend is Engels gherkin.
Lit.: R. v.d. Meulen (1943) ‘Augurk’, in: TNTL 62, 40-41; G. Bellmann (1971) Slavoteutonica. Lexikalische Untersuchungen zum slawisch-deutschen Sprachkontakt im Ostmitteldeutschen, Berlin-New York, 97 e.v

EWN: augurk zn. 'klein soort komkommer (Cucumis sativus)' (1651)
ANTEDATERING: mnl. Hi sal eten gerkiin 'hij zal augurk eten' [1351; MNW]
Later: varse augurken [1714; Langendyk, 20] (EWN: 1769)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

augurk [kleine komkommer] {agurk 1651} < nederduits agurke, ontleend aan baltisch/slavisch: litouws agurkas, pools ogorek, russisch ogurec < byzantijns-grieks aggourion [watermeloen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

augurk znw. v., oudernnl. agurk, in het eind der 16de eeuw overgenomen < nd. agurke (daarnaast ook augurk), evenals nhd. agurke, augurke (sedert de 17de eeuw) < lit. agurkas (hier is het een nationaal gerecht, vgl. R. v. d. Meulen Ts. 62, 1943, 40-51) < pools ogórek (tsj. okurka, russ. oguréc) en dit weer met een dem. suffix < gr. aggoúrion < perz. angārah.

Naast agurk staat met verlies van de 1ste lettergreep (zie ook ajuin en pul) dial. gurk, vgl. nhd. gurke. — Uit het nl. mv. gurken (eerder dan uit het verkleinwoord gurkijn) is overgenomen ne. gherken ‘jonge groene komkommer’ (sedert 1661, vgl. Bense 120).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

augurk znw., nog niet bij Kil. De oudnnl. vorm agurk komt nog maar zelden voor. Evenals hd. gurke v. (waaruit zw. gurke), 17.-eeuwsch-hd. ook ajurke, aujurke, ndd. agurke (waaruit de. agurk), augurke (ode. augurk) “komkommer” via het Oostnnd. in de 16. eeuw ontleend uit po. ogórek, čech. okurka; het slav. woord (russ. oguréts) is met een slav. suffix gevormd van laat-gr. angoúrion “watermeloen”. Fri. augurchjen, eng. gherkin “augurk” komen uit het Ndl.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

augurk. In pl.v. zw. gurke lees zw. gurka. Ouder-zw. ook a(u)gurkor, -ker mv., dat evenals ode. (juister: ouderde.) augurk, de. agurk aan het Ndd. zal zijn ontleend. — Zeer verbreid is de vorm gurk (vgl. pul).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

agurk v., gelijk De. agurke, Nhd. gurke, Eng. gherkin, door het Slav. (Po. ogorek, Ru. ogurets, Boh. okurka), uit het later Gr. angoúrion, dat aan het Perz. ankhara ontleend is.

gurkje o., uit agurkje: vergel. Hgd. gurke (z. agurk).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

agurkie s.nw.
1. Klein soort komkommertjie wat in asyn ingelê en saam met vleis geëet word. 2. Ook agorkie, agorretjie en agortjie. Enigeen van verskeie wildekomkommersoorte, klein soort veldkos wat onder bosse groei en peule dra wat horinkies genoem word, of eetbare veldplant wat 'n soeterige nasmaak het en in die kliprantjies van die Karoo voorkom.
In bet. 1 uit 'n verkleiningsvorm van Ndl. agurk (1649), die verouderde vorm van die huidige augurk (1651). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel.
Ndl. agurk en augurk uit Nederduits agurke uit Litaus agurkas ('n nasionale gereg aldaar) uit Pools agurek (tans agórek) uit Grieks aggoúrion (vgl. ágouros 'onryp') uit Persies angārah.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

augurk’: Surinaam’se augurk (de, -en), jonge komkommer, ingelegd in zuur. Alle direkteurs* hadden groote (Keulsche) potten vol ingemaakt zuur: Surinaamsche augurken (worden ze nog geplant?), sjalotten, uien, lemmetjes* en Surinaamsche mosterd* (Bartelink 12). - Etym.: AN a. is een klein ras van dezelfde soort (Cucumis sativus), veelal gebruikt ingelegd in zuur.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

agurkie: – agorkie/agorretjie/agortjie – , 1. mak en wilde soorte komkommertjie (spp. Cucumis, fam. Cucurbitaceae); 2. soorte veldkos (spp. Stapelia, fam. Asclepiadaceae), dim. uit Ndl. augurk (vroeër ook agurk e.a. wv.), wsk. eers sedert 17e eeu via Pd. agurke (Hd. gurke) uit Slaw. tale (reeds met dim. suf., vgl. Poo. ogórek) uit Pers., sowel Eng. gherkin (via Ndl. ontln.) as Hd. gurke het prok. van a- of au-.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

augurk: (jeugdtaal) sufferd; stommeling; onhandig persoon; groentje. Jaren tachtig. Vermeld door Laps. Een onnozel iemand wordt ook in het Frans un cornichon genoemd.

Zo’n augurk als Alain Delon zou niets liever willen dan een taart van ons, maar dat is een ‘as-been’, die telt niet meer mee. (Algemeen Dagblad, 12/03/1999)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

augurk (Nederduits agurke)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

augurk ‘kleine komkommer’ -> Engels gherkin ‘kleine komkommer’; Deens agurk ‘kleine komkommer’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors agurk ‘kleine komkommer; (familiair) humeurig persoon’ (uit Nederlands of Duits); Zweeds gurka ‘kleine komkommer’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins kurkku ‘kleine komkommer’ ; Gã agolgo ‘pompoen’ (uit Nederlands of Deens); Papiaments † augurk, augurki ‘kleine komkommer’; Sranantongo angorki, ogorki ‘kleine komkommer’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

augurk kleine komkommer 1651 [WNT] <Nederduits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut