Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

attribuut - (kenmerkende eigenschap of voorwerp)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

attribuut zn. ‘kenmerkende eigenschap of voorwerp’
Nnl. attribuut ‘kenmerkende eigenschap, al dan niet bewust aan iemand of iets toegekend’, bijv. in: alle attributen der regterlijke magt ‘toegekende ambtsbevoegdheden’ [1811; WNT Supp.], of in de taalkunde ‘aan een zelfstandig woord toegekende bepaling’ [1826; WNT Supp.], ‘kenmerkend voorwerp (bijv. het kruis voor het Christendom)’ [1824; WNT Supp.], en in verzwakte betekenis ‘hulpmiddel, instrument (in een bepaalde gebruikssfeer)’: de nautische instrumenten; de onmisbare attributen voor het vinden van den weg op zee [1946; WNT Supp.].
Ontleend aan Frans attribut < Latijn attribūtum, het gesubstantiveerde verl.deelw. van attribuere ‘toedelen, toewijzen, verlenen’, gevormd uit → ad- ‘naar (toe), bij, tot’ en tribuere ‘toedelen, toekennen’ (zoals ook in → contribueren, → distribueren), oorspr. ‘(de belasting) verdelen onder de stammen’, een afleiding van het zn. tribus ‘stam’, zie → tribunaal.

EWN: attribuut zn. 'kenmerkende eigenschap of voorwerp' (1811)
ANTEDATERING: de magt, fonctien ende attributen van de nieuwe commissie [1763; Placcaertboeck 1, 342]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

attribuut [tot het wezen behorende eigenschap] {1811} < frans attribut < latijn attributum, verl. deelw. van attribuere [toedelen, verlenen, toeschrijven], van ad [tot] + tribuere [toekennen, schenken] (vgl. tribuut).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

attribuut (Frans attribut)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

Attribuut (Lat. attributum = wat aan iemand eigen of toegewezen is). Sommige goden, helden, apostelen, enz. worden steeds afgebeeld met een bepaald voorwerp, dat hen dus duidelijk van anderen onderscheidt; bijv. Minerva (de godin der wetenschap) met een uil; Neptunus (de zeegod) met een drietand; Petrus met een sleutel, enz. Deze voorwerpen heeten hun attributen. Geven deze attributen op aanschouwelijke wijze het wezen van meer afgetrokken (abstracte) begrippen aan, dan spreekt men van symbool (of zinnebeeld). Zoo is het symbool van den Mohammedaanschen godsdienst een halve maan (een “wassenaar”, om de toenemende kracht aan te duiden); het Christendom heeft tot symbool het kruis; de eeuwigheid is een slang, die zich in den staart bijt (d.i. dus een cirkel, waaraan geen begin of einde is), de tijd is een zandlooper, enz.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

attribuut ‘tot het wezen behorende eigenschap’ -> Indonesisch atribut ‘tot het wezen behorende eigenschap; parafernalia, insigne van een politieke partij; symbool, teken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

attribuut tot het wezen behorende eigenschap 1811 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut