Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

astroloog - (sterrenwichelaar]

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

astrologie zn. ‘sterrenwichelarij’
Mnl. arstologie (met schrijffout) [1285; CG II, Rijmb.]; vnnl. astrologie [1549; WNT].
Ontleend aan Latijn astrologia < Grieks astrologíā ‘sterrenkunde’, gevormd uit astḗr, ástron ‘ster’ (zie → ster) en -logíā bij het werkwoord légein ‘spreken, vertellen’ (zie → -logie). In het oudere Grieks betekende astrologíā alleen ‘sterrenkunde’; voor de uit de Oriënt stammende sterrenwichelarij bestond een ander woord, namelijk astromanteíā.
Astrologíā en het bijbehorende astrológos ‘sterrenkenner’ waren de oudere Griekse begrippen. Later werden astronomía en astronómos geïntroduceerd (zie → astronomie), termen die zowel in het Grieks als in het Latijn een meer wetenschappelijke studie van de sterren inhielden, tegenover de meer praktische en toegepaste astrologíā ‘het vertellen of voorspellen aan de hand van de sterren’. In de Europese volkstalen duiken juist de woorden met astron- eerder op dan die met astrol-; bovendien lijken beide synoniem te zijn. Pas in de tijd van de Renaissance ontstaat weer onder invloed van de klassieke Griekse auteurs het huidige betekenisonderscheid.
astroloog zn. ‘sterrenwichelaar’. Vnnl. astrologus ‘sterrenwichelaar, sterrenkundige’ [1555; WNT Supp.]; pas in de 19e eeuw astroloog [1864; WNT Supp.]. Ontleend aan Latijn astrologus < Grieks astrológos ‘sterrenkundige’. De jonge vorm zonder achtervoegsel is misschien ontstaan onder invloed van Duits Astronom.

EWN: ♦ astroloog zn. 'sterrenwichelaar'; de vorm astroloog (1864)
ANTEDATERING: Nieuwen klaren astrologen-bril [1607; titel in Picarta]
Later: den Astroloogh' [1609; iWNT]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

astroloog [sterrenwichelaar] {astrologus 1551, astroloogh 1609} < latijn astrologus [sterrenkundige, sterrenwichelaar] < grieks astrologos [idem], van astron, astèr [ster] + -loog.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

astroloog (Latijn astrologus)

P.H. van Laer (1964), Vreemde woorden in de sterrenkunde, 2e druk, Groningen

Astroloog (= Gr. ἀστρολόγος (astrologos) = sterrenkundige, later sterrenwichelaar). Sterrenwichelaar.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

astroloog ‘sterrenwichelaar’ -> Indonesisch astrolog ‘sterrenwichelaar’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut