Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

assuradeur - (verzekeraar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

assurantie zn. ‘verzekering’
Mnl. ass(e)uranche ‘verzekering’ [1327; Pelsmaeker 1914]; vnnl. asseurancie [1530; MNHWS], assurantie [1658; Meijer]. Daarnaast het werkwoord assureren ‘verzekeren’: mnl. te assurerne (verbogen infinitief) [14e eeuw; Pelsmaeker 1914], vnnl. asseuréren ‘verzekeren, zeker beloven’ [1599; Kil.], maar nu verouderd.
Ontleend aan Oudfrans asseürance ‘zekerheid, geruststelling, overtuiging’ [12e eeuw; Rey], afgeleid van het werkwoord asseürer (in het Nieuwfrans beide met assu-), dat ontwikkeld is uit Laatlatijn *assecurare ‘beschermen’, met → ad- gevormd bij Latijn sēcūrus ‘zeker’, zie → secuur en → zeker 1.
Deze handelsterm is uit het Frans overgenomen in de 16e eeuw. Vanaf dat moment betekent het ook (net als in het Frans) ‘verzekeringsovereenkomst’ of ‘contract’: asseurantien [1548; Stall.], geasseureert goet [1570; Stall.]. De betekenis heeft zich ontwikkeld van ‘belofte, zekerheid’ via ‘(handels)verzekering’ naar ‘verzekeringsmaatschappij’, en in het Frans en het Engels zelfs tot ‘zelfvertrouwen’.
assuradeur zn. ‘verzekeraar’. Vnnl. assecurateur [1568; WNT], asseureurs (mv.) [1591; WNT], asseuradeurs ofte versekeraers [1637; Stall.], asseuradoors (mv.) [1599; WNT], assurateur ‘verzekeraar’ [1669; Meijer]. Pseudo-leenwoord uit het Frans, waar het in die vorm niet bestaat. Assuradeur is een zonderlinge vorm; een der eerste attestaties heeft een Spaans suffix (zoals bijv. ook nog in cargadoor); dit zou later verfranst kunnen zijn. Het woord staat tegenover Frans assureur, Spaans asegurador, Italiaans assicuratore.

EWN: assurantie zn. 'verzekering'; de vorm assurantie (1658)
ANTEDATERING: egeene verseeckeringe oft Assurantie [1570; iWNT]
Daarnaast: assurreren in: assurrerden 'verzekerden, garandeerden' [1240-60; VMNW] (EWN: 14e eeuw)
EWN: ♦ assuradeur zn. 'verzekeraar' (1568)
ANTEDATERING: asseureur [1563; iWNT loopen I]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

assuradeur znw. m., in de 16de eeuw assureur < fra. assureur, later veranderd onder invloed van spa. asegurador.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

assuradeur znw. Onder invloed van spa. asegurador vervormd uit assureur, dat in ordonnantiën van 1563 en 1570 = “assuradeur” voorkomt en uit fr. assureur is ontleend.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

assuradeur
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

assuradeur ‘verzekeraar’ -> Deens assurandør ‘verzekeraar’; Noors assurandør ‘verzekeraar’; Zweeds assuradör ‘verzekeraar’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut