Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

assertief - (zelfverzekerd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

assertief bn. ‘zelfverzekerd’
Nnl. assertief [1971; Moor/Orlemans].
Ontleend aan Engels assertive ‘zijn eigen persoon of mening graag op de voorgrond stellend’, in deze betekenis een verkorting van self-assertive ‘id.’ [1865; OED], afgeleid van het werkwoord assert ‘met overtuiging een bewering of recht verdedigen of handhaven’ [1652; OED], ontleend aan Latijn asserere (verl.deelw. assertus) ‘toekennen, aanspraak maken op, handhaven’, oorspr. ‘aan zich verbinden’, gevormd uit → ad- ‘aan-, bij-’ en serere ‘aaneenrijgen, laten aansluiten’, zie → serie.
In de jaren 1960 werd in Amerika de training van assertief gedrag als psychotherapeutische techniek gebruikelijk; met de techniek is ook de term overgenomen.
Lit.: W. de Moor/J. Orlemans (1971) Inleiding tot de gedragstherapie, Deventer

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

assertief [zelfbewust] {na 1950} < frans assertif [bevestigend] < middeleeuws latijn assertivus [idem] < latijn asserere (verl. deelw. assertum) [verzekeren, opeisen] (vgl. assertie).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

assertief (Engels assertive)
Dateringen of neologismen

Nicoline van der Sijs (2015-heden), Jaarwoordenzoeker ‘Een woord uit elk jaar 1800-heden’, zie ook bij Onze Taal

vertrutting [het onaantrekkelijk, saai, vervelend worden] (1979). Het Winkler Prins Boek van het jaar vermeldt behalve vertrutting de volgende nieuwe woorden uit de tweede helft van de jaren zeventig: afromen, afronden, aftoppen, afslanken, arbeidsplaatsenovereenkomst, assertief, assertiviteit, audiorack, audiotoren, bedrijfsdoorlichting, bespreekbaar, chip, crisiscentrum, deeltijds, disco, dissident, duobanen, educatief verlof, geluidswal, gouden handdruk, horizonvervuiling, illegalen, inhuren, inleveren, inschatten, inseinen, inverdienen, joggen, joggingpak, laadkist, loonpauze, mediatheek, minlijn, nuloptie, opschonen, prijscompensatie, satelliet-tv, seksisme, sluiproute, spookrijder, sprinter, stereotoren, surfplank, teletekst, trendvolger, vervroegde uittreding (vut), vrouwenhuis, windsurfen en zelfdoding.

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

assertief zelfbewust 1979 [WP jaarboek 1980] <Frans

Winkler Prins Boek van het jaar (1958-1980), Amsterdam / Brussel (lemma ‘Nieuwe woorden in onze taal’)

assertiefzelfbewust (1979); (1980) opkomend voor zichzelf, zonder de ander nodeloos te kwetsen (in tegenstelling tot sub-assertief of agressief). Daarnaast ook: assertiviteit.
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut