Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

assepoester - (verstotelinge; morsige meid)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

assepoester zn. ‘verstotelinge; morsige meid’
Oorspr. ‘iemand die bij de haard zit en in de as blaast om naar nog onverbrande kooltjes te zoeken’, bijv. in Soo 'k als een assche-puyster sat, En anders niet te doen en had [1668; WNT]; pas later (zie onder) als toenaam voor de hoofdpersoon van het gelijknamige sprookje. De oude betekenis is verdwenen; later overdrachtelijk gebruik als ‘verschoppeling(e)’ [1869; WNT Supp.] is alleen gebaseerd op de sprookjesfiguur.
Samenstelling uit het zn.as 2 ‘verbrandingsrest’ en het nomen agentis bij het verouderde werkwoord poesten ‘blazen’, dat door Kiliaan [1599] al als Saksisch (oostelijk) werd gekarakteriseerd, en dus wrsch. beschouwd kan worden als ontlening aan mnd. pusten ‘blazen’; daaruit ook Hoogduits pusten ‘id.’ [15e eeuw; Pfeifer] en Zweeds pusta ‘id.’. Wrsch. gaat het hier oorspr. om een klanknabootsend woord.
Er is dus geen verband met het werkwoord poetsen, zoals men wel pseudo-etymologisch meent te verklaren op grond van het dagelijks werk van Assepoester in het gelijknamige sprookje. Het origineel is door de Fransman Charles Perrault in 1697 geschreven. In een oude Nederlandse vertaling geschiedt de introductie van Cendrillon (bij Frans cendre ‘as’) als volgt: Als zy haar werk gedaan had, ging zy altoos in het hoekje van den haard op haar hakken in den Asch zitten, ... dit was de reden, dat de oudste Zuster haar altoos Aschgat noemde, maar de andere Zuster, die noch wat fatsoenlyker was dan de oudste noemde haar Asschepoestertje [1775; WNT]. Toen de associatie met het verdwenen werkwoord poesten niet meer werd gemaakt (en assepoester dus niet meer als mannelijk nomen agentis werd gezien), kon uit Assepoestertje de verkorting Assepoester, en later ook Assepoes ontstaan.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

Assepoester* [sprookjesfiguur] {assepuister ca. 1700} van as3 + middelnederlands poester, puyster [blaasbalg], poesten [blazen]; de betekenis is dus: die in de as blaast (d.w.z. om het afgedekte vuur 's morgens weer tot leven te brengen), vgl. middelnederlands asschevijster(e), van vijsten [blazen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

assepoes znw. v., eig. assepoester, ws. wel ‘die in de as blaast, om het vuur aan te wakkeren’, vgl. mnl. assevijster bij vijsten ‘veesten’ vgl. de. askefis, ‘de jongste der drie broers in het sprookje’. — Het hd. kent aschenbrödel, eig., de naam voor een ‘keukenjongen’, reeds in de 14de eeuw aschenbrodele. Ook de naam Cinderella (bij cinder ‘as’) is een nabootsing van het hd. woord.

In heldensage en sprookje is een held vaak in zijn jeugd traag en onmannelijk, totdat op eens zijn ware aard uitbreekt. Zijn lummelen bij de haard was aanleiding tot benamingen als assepoester, vgl. nog in het on. kolbítr ‘kolenbijter’ of eldsætr ‘die bij het vuur zit’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

asschepoester v., zooveel als die in de asch zit te poesten, doch poesten hier wel niet blazen maar veesten; cf. ouder asschevijster.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

aspoester s.nw.
Iemand of iets wat afgeskeep of stief behandel word.
Uit Ndl. assepoes van Assepoes (ongeveer 1700), die naam van die hooffiguur in die sprokie met dieselfde naam. Ndl. assepoes uit asse 'as' en poester (uit Mnl. ww. poesten 'blaas') 'iemand wat in die as blaas', lett. dus 'iemand wat in die oggend die gebluste vuur aan die gang kry deur dit aan te blaas'.
Die sprokie, opgeteken deur Charles Perrault, is histories gegrond op hoe farao Micerinus (wat die derde piramide van Gizeh laat bou het) sy gemalin Rhodopis verkry het.

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

122. Asschepoester (-poetster).

Deze benaming voor het meisje, dat thuis alle werk moet verrichten, terwijl hare zusters uitgaan, is ontleend aan het sprookje van dien naam, dat sedert de 18de eeuw (anno 1775) bij ons bekend is en vertaald is naar dat van Ch. Perrault: Cendrillon ou la petite pantoufle de verreEen der verhalen voorkomende in Ch. Perrault's Contes de ma mère l'Oye (1697).. Het woord ‘asschepoester’ was bij ons reeds bekend, voordat Perrault zijne ‘contes’ uitgaf, en beteekende ‘iemand die steeds bij den haard in de asch zit te poesten, te blazen’.Het beteekent dus hetzelfde als het vroegere aschvijster, iemand die altijd bij den haard in de asch zit te veesten, ook een aschgat genaamd; zie het Ndl. Wdb. II, 725 en 733. In Vlaanderen heet zij ook Vuil-velleken, Sloddeken-vuil of Vuiltje-vaagt-den-oven. Vgl. ook J. Bolte und G. Polivka: Anmerkungen zu den Kinder- und Hausmärchen der Brüder Grimm, Leipzig 1913; blz. 165-188. Toen men nu het fr. cendrillon moest vertalen, heeft men daarvoor het reeds bekende ‘asschepoestertje’ gebruikt; hd. Aschenbrödel; Aschenbuttel; Aschenpudel; eng. cinderella; fri. yeskepûster.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut