Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

asperge - (groente (Asparagus officinalis))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

asperge zn. ‘groente (Asparagus officinalis)’
Vnnl. Belgis asperges [1583; Dodonaeus], asperges [1699; Jaques/Hannot]. Daarnaast in dezelfde tijd spargencruit [1514; MNW spergel], sperghel oft spargen [1573; MNW spergel].
In de moderne vorm uit Frans asperge [1535; Rey], eerder esparge [12e eeuw; Rey] < Latijn asparagus < Grieks aspáragos, aspháragos ‘jonge loot, asperge’, zelf een leenwoord uit een niet-Indo-Europese taal.
De nevenvorm sperghel, met secundair achtervoegsel -el, gevormd naar crosel ‘kruisbes’, kervel, truffel, venkel etc. (ook Duits Spargel), is rechtstreeks ontleend aan middeleeuws Latijn spargula [14e eeuw], dat volgens FEW teruggaat op Oudprovençaals espargula.
Uit de 17e en 18e eeuw dateren verbasterde vormen als spergie, sperge en spersie, zie daarvoor → sperzieboon.

EWN: asperge zn. 'groente (Asparagus officinalis)' (1583)
ANTEDATERING: mnl. sparge 'asperge' [1351; MNW-P]
Later: de teere botten ('scheuten') van de Asperges [1581; De Lobel, 303] (EWN: 1583)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

asperge [plant] {1588} < oudfrans asparge < latijn asparagus < grieks asparagos, van het ww. spargaō [ik zwel (van levenssappen)] (vgl. spurrie).

spargel [asperge] {spergel, spargen 1573, sparghel 1599} < hoogduits Spargel, hetzelfde woord als asperge.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

asperge znw. v., < fra. asperge < lat. asparagus < gr. aspáragos. Daarnaast ne. asparagus, nhd. spargel, oudernl. sparghel.

Men stelt het woord bij de idg. wt. *sp(h)erg- ‘spruiten’ vgl. oi. sphurjati ‘komt op’, av. sparǝya ‘spruit’, gr. spargáō ‘gezwollen zijn’. In de 15de eeuw kwam de veredelde plant naar Europa, waar zij in het wild blijkens Plinius Hist. nat. 19, 145 reeds aanwezig was, maar waarvan de inheemse naam onbekend is.

spargel znw. m. < nhd. spar gel, waarvoor zie: asperge.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

asperge znw., sedert Kil. Uit fr. asperge en dit uit lat. asparagus (< gr. aspáragos, aspháragos), vanwaar ook mhd. (nhd.) spargel m., eng. asparagus, door volksetymologie ook sparrow-grass. Kil. geeft ook sparghel, sperghel op. Ons spargel kan hierop teruggaan, maar ook een jong germanisme zijn.

sperge znw. Verkort uit asperge.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

asperge v., uit Fr. asperge, dat met Eng. asparagus en Hgd. spargel, uit Mlat. (a)sparagum (-us), van Gr. aspáragos, zelf ontleend aan Zend çparegha = scheut. De plant heet in ’t Mal. akar parsi = Perzische wortel. Het Gr. w. is door volksetym. vervormd, zoodat het schijnt te beteekenen: de ongezaaide, gevormd met het ontkennend a (z. on), en een afleid. van speírein = zaaien. Een ander opmerkelijk voorbeeld van volksetym. heeft men in den Eng. volksnaam sparrow-grass = musschengras.

sperge v., door aphærese uit asperge.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

aspersie s.nw.
1. Europese plant wat in S.A. vir die sappige spruite gekweek word, of spruit van sodanige plant wat as groente gebruik word. 2. Enigeen van verskillende inheemse plante wat wild groei.
In bet. 1 uit Ndl. asperge (1583), met 'n ouer vorm aspergie. Reeds by Van Riebeeck (1651 - 1662) in die vorme esparges, esperges, asook spargies (vgl. Ndl. volkstaal sperzie en Mnl. spergel, spargencruut). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel na aanleiding daarvan dat die wortels van hierdie plant aan dié van die aspersie (aspersie 1) herinner.
Ndl. asperge uit Oud-Frans asparge uit Latyn asparagus uit Grieks asparagus van spargan 'swel'.
Eng. asparagus. Ndl. asparagus verwys egter na die huisplant hangasperge of sierasperge.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

aspersie: pln. (Asparagus officinalis, fam. Liliaceae); Ndl. asperge (sedert Kil wat ook sparghel/spherghel opgee, by vRieb o.a. ook esparges/esperges/spargies, ander ouer vorme o.a. aspergie, (“volks”) sperzie), via Fr. asperge uit Lat. asparagus uit Gr. asparagos; Eng. asparagus en Hd. spargel (wu. Ndl. misk. vroeër of later ook spargel gekry het); in S.A. wilde soorte wat as plante katdoring heet.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

asperge: lang en mager persoon. Eveneens in het Frans: grande asperge.

… in eens van kind opgeschoten als een asperge, en helemaal nog een jongen. (Louis Couperus, Majesteit, 1893)
Zo zou ook de huidige Ajax-spits John van Loen het afgelopen seizoen in België meer geleden hebben onder de aanduidingen inzake zijn bovengemiddelde lengte – asperge, lantaarnpaal, verlengsnoer, struisvogel – dan hij wilde toegeven. (HP/De Tijd, 23/08/1991)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

asparagus (Latijn asparagus)
asperge (Frans asperge)

C.A. Backer (1936), Verklarend woordenboek van wetenschappelijke plantennamen

Aspáragus L. [C. Linnaeus], - Lat. transcr. van Gr. asparӑgos, asperge.

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Asperge (asperzje), ook sperzie, en meerv. sperzies of sperges (sperzjes) door het Fransch uit lat. asparagus, de benaming van een plant (Asparagus officinalis Linn.), die bij ons ook als sierplant nog algemeen bekend is om het mooie fijne groen onder den latijnschen naam of als sperziegroen; nu wordt het woord gebruikt voor de wortelstokken van die plant, geplukt tegen het voorjaar, als zij uit den grond beginnen op te schieten. Een samenstelling sleep- of sliertasperge, wordt in den regel uitgesproken sleep- of sliertsperzie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

asperge ‘plant, groente’ -> Russisch sparža ‘asperge, groente’; Indonesisch aspérjis, aspérsi, parsi, sapérsi, sepérsi ‘plant, groente’; Javaans sepèrsi ‘plant, groente’; Soendanees sapercis ‘plant, groente’; Papiaments asperge ‘plant, groente’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

asperge plant 1583 [Dod.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut