Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

asceet - (iemand die in onthouding leeft)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

asceet zn. ‘iemand die in onthouding leeft’
Nnl. asceten, asketen (mv.) “aandachtigen, bijzonder godsdienstigen” [1824; Weiland].
Al dan niet via Frans ascète ontleend aan Laatlatijn ascetes < Grieks askētḗs ‘die zich serieus oefent in deugd’, een afleiding van Grieks áskēsis bij het werkwoord askeĩn ‘serieus oefenen, zich met ernst toeleggen op’.
In het klassiek Grieks werd áskēsis gebruikt in verband met atletiek en oorlogsvoering. In de vroeg-christelijke tijd werd ascese voornamelijk beoefend door heremieten en andere adepten van wat later kloostergemeenschappen zouden worden.
ascese zn. ‘levenswijze gebaseerd op onthouding’. Nnl. ascese ‘id.’ [1832; WNT]. Ontleend aan Laatlatijn ascesis of Grieks áskēsis.

EWN: asceet zn. 'iemand die in onthouding leeft' (1824)
ANTEDATERING: vnnl. de Ascéten [1699; Fénélon, 145]
EWN: ♦ ascese zn. 'levenswijze gebaseerd op onthouding' (1832)
ANTEDATERING: Zijne [...] door strenge askese verzwakte gezondheid [1828; Ullmann 1, 266]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

asceet [iem. die zich op godsdienstige gronden beperkingen oplegt] {1824} < middeleeuws latijn asceta, ascetes [asceet] < grieks askètès [atleet en asceet], van askèsis [oefening, training], van askeō [ik bewerk een stof, snijd, (be)oefen].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

askeet s.nw.
Persoon wat hom onthou van sinlike genietings, veral om godsdienstige redes.
Uit Ndl. asceet (1824).
Ndl. asceet wsk. via Fr. ascète uit Middeleeuse Latyn asceta, ascetes uit Grieks asketes 'atleet, askeet', met lg. van askesis 'oefening' van askeo 'ek bewerk 'n stof, sny, beoefen'. By die Grieke het die woord verwys na harde oefening van die liggaam by stoeiwedstryde en wedlope. Daarna verkry die woord 'n ander bet. by die Christene, wat dit gebruik het om te verwys na die 'oefening' van die siel deur dit deur onthouding te staal ter bereiking van die hemelse ideaal.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

asceet iem. die zich op godsdienstige gronden beperkingen oplegt 1824 [WNT] <ME Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut