Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

as - (verbrandingsresidu)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

as 2 zn. ‘verbrandingsrest’
Onl. asca ‘as’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. assc(h)e [ca. 1285; CG I, 1079]. Nog dialectisch met velair in bijv. Gronings, Drents, Twents a(a)sk(e), West-Vlaams asschen, Zuidwest-Vlaams asken.
Os. asca; ohd. asca [8e eeuw] (nhd. Asche); nfri. jiske; oe. æsce (ne. ash); on. aska (nzw. aska); < pgm. *askō-. Daarnaast got. azgo ‘as’.
Verwant met Latijn ārēre ‘drogen’; Grieks ázein ‘id.’ (< *as-d-); Sanskrit āsa- ‘as’; Tsjechisch ozditi ‘drogen’; Armeens ačiun ‘as’, Hittitisch hassa- ‘as, haard’; bij de wortel pie. *h2es-gi-, welke met een velair achtervoegsel is afgeleid van *h2eh1s- ‘branden’.
De s in dit woord is klankwettig uit /sk/ ontstaan. Deze ontwikkeling (niet in de anlaut, waar het sch- geworden is, zoals in → schoen) is uitsluitend Nederlands, zie bijv. ook → mens, → vis, → vlees, → wassen 2 ‘groeien’ en in het bijzonder het bijvoeglijke achtervoegsel → -s, tegenover Duitse vormen met sch. De Nederlandse historische spelling met -sch(-) (in inlaut ook vaak -sc-) verdween al in de 15e eeuw, maar werd vaak nog gehandhaafd, al gebeurde dat steeds minder. In de spelling van De Vries en Te Winkel (1863) werd de schrijfwijze met -sch- voor een deel opnieuw ingevoerd als etymologische spelling. Zij werd pas afgeschaft door de spelling-Marchant in 1934.
Aswoensdag zn. ‘de eerste dag van de vasten’. Mnl. asscewons dach [1297; CG I, 2364] met daarnaast ook asscedach [1291; CG I, 1637]; vnnl. asswoensdaige [1500-50; WNT], den asschenwoensdach [1567; Nomenclator], den aschdach [1567; Nomenclator]. Leenvertaling van christelijk Latijn dies cinerum ‘asdag’ bij Latijn cinis ‘as’. Aswoensdag markeert het begin van de lijdensweken die voorafgaan aan Pasen. In de oudtestamentische traditie strooide men as op het hoofd als teken van rouw. In de rooms-katholieke kerk tekent een priester op Aswoensdag een kruisje van as op het voorhoofd van de gelovigen, ter herinnering aan de vergankelijkheid van de mens.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

as3* [verbrandingsresidu] {oudnederlands asca 901-1000, middelnederlands assche} oudhoogduits asca, oudengels asce, gotisch azgo; buiten het germ. latijn arēre [droog zijn], grieks azein [verdrogen], armeens ačiun [as] (vgl. are). De uitdrukking uit zijn as verrijzen slaat oorspr. op de mythische vogel Feniks, die volgens Herodotus elke 500 jaar zichzelf verbrandt om vervolgens stralend uit de as te herrijzen. Met de uitdrukking as is verbrande turf werden slecht Nederlands pratende sprekers terechtgewezen als zij ‘as’ i.p.v. ‘als’ zeiden.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

as 2 znw. v., ‘rest na verbranding’, mnl. assce v., onfrank. ohd. asca, mnd. asche, oe. asce, æsce (ne. ashes), on. aska, naast het in consonantisme afwijkende got. azgo. — Idg. wt. *as, vgl. lat. ara ‘altaar’ (osk. aasaí ‘in ara’), areō ‘droog, uitgedord zijn’, aridus ‘droog’, ardeō ‘branden’, gr. άzō ‘ik maak droog, dor’, oi. āsa ‘as’ (IEW 68). Zie: ast.

Voor de got. vorm azgō verg. Meillet, MSL 15, 1908, 357 betreffende de wisseling zg: zgh. — Een taalkaart van dit woord geeft J. van Ginneken, Taaltuin 1, 1932-3, 28: de klank sk in het hele Noorden (behalve Tessel en Vlieland); sj in Zuid-Limburg, Goeree, Overflakkee en verder sporadisch.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

asch znw., mnl. assce v.; ook het mv. asscen in dezelfde bet.: hieruit vla. asschen(e). = onfr. ohd. asca (nhd. asche), mnd. asche, ags. asce, æsce (eng. ashes mv.), on. aska, got. (opvallend verschil in consonantisme) azgo v. “asch”. Afl. van den idg. wortel ǎs-, waarvan lat. âreo “ik ben droog, dor”, ardeo “ik brand”, gr. ázō “ik maak droog, dor” (ook syrak. ásbolos “roet”?), oi. ā́sa- “asch”. De verlengde stam az-d- is blijkens de geciteerde woorden reeds idg.; ook asch heeft men er van afgeleid, de grondvormen zouden dan *azdgôn- en *azdagôn- zijn. Veeleer echter zijn arm. ačiun “asch”, azazem “ik droog” direct verwant met germ. *askôn-, *azgôn-: idg. azg- en azĝh-. Vgl. nog bij eest.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

as[ch]. In pl.v. “Afl. van den idg. wortel....” enz. lees: “Waarschijnlijk afl. van de idg. wortel....” enz.
Niet navolgenswaard is het kunststuk van Petersson Idg. Heterokl. 85, die zowel germ. *askôn- en *azgôn- als de -d-vormen van andere idg. talen uit één idg. heteroclitisch paradigma afleidt.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

asch v., Mnl. assche en meerv. asschen gelijk in ’t Eng., Onfra. asca + Ohd. asca (Mhd. en Nhd. asche), Ags. æsce (Eng. ash en ashes), On. aska (Zw. aska. De. aske), Go. azgo: Ug. *ast-go + Gr. áza = droogte, Boh. ozditi: Idg. wrt. azd, afgel. en synon. van wrt. as: Skr. āsas = asch, Gr. ázō = drogen, Lat. aridus, d.i. *asidus = droog.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

as I: “verbrande stof”; Ndl. as(ch) (Mnl. assce, dial. o.a. a(a)sk(e), asje, assie, assye), Hd. asche, Eng. ash (gew. mv. ashes), verb. hoërop m. Lat. ardere, “brand” en arere, “droog wees” (Wald) en Gr. azō, “ek maak/is droog” (Boi).

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

As snw. Segsw. As is verbrande hout. – Teenoor Ndl. As is verbrande turf word die lesing met hout i.p.v. turf gewoonlik as Suid-Ndl. beskou. Egter is o.a. ook in Sliedrecht die vorm met hout die inheemse, soos ek deur persoonlike ondersoek kon vasstel. Vergelyk nog Draaijer 3: Asse is verbrande törf en hòlt.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

As op of over zijn hoofd strooien, spijt betuigen, berouw tonen.
As op mijn hoofd, het spijt me, ik betreur het.

As over het hoofd strooien, zijn kleren scheuren en zich in een zak hullen waren in de wereld van de bijbel tekenen van rouw (zie ook Zak). In 2 Samuël 13:19 (NBG-vertaling) is het Tamar, die, nadat zij door haar broer Amnon is verkracht en vervolgens door hem wordt weggestuurd, uitbarst in rouwbetoon: 'Toen strooide Tamar as op haar hoofd, scheurde het pronkgewaad dat zij droeg, legde haar hand op haar hoofd en ging al jammerend heen'. In de NBV is as hier vervangen door stof: (toen Tamar op straat was gezet) 'wierp ze stof over haar hoofd en scheurde ze haar veelkleurig kleed. Ze greep naar haar hoofd en liep jammerend naar huis.' Deze vertaling gebruikt nergens meer het woord as om rouwuitingen te beschrijven

Liesveldtbijbel (1526), 2 Samuël 13:19. Zo werp Thamar asschen op haer hooft, ende scoorde den bonten rock dien si aen hadde ende leyde haer hant op dat hooft, ende ginck daer henen ende crijsschede.
Men kan zichzelf ranselen tot bloedens toe en de haren met as bestrooien: de droppels van Jezus' zweet blijven vallen. (J. Mens, De witte vrouw, 1987 (1952), p. 40)
'Ze zullen wel dorst hebben na de lange autotocht.' 'Lang,' herhaalde Juliane schamper. 'Kom nou toch. Was jij je handen maar in onschuld. Goed beschouwd is het maar een kattesprongetje.' 'Jij je zin, Juliane. As op mijn hoofd en mijn mantel in repen gescheurd.' (H. de Graaf, Stella Klein, 1990, p. 177)
[Rectificatie tv-bespreking:] As op mijn hoofd: in de waslijst van programma's waar Jort Kelder optrad, stond ten onrechte De Tafel van Pam. (NRC, 9-11-1999, p. 21)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Asch is afkomstig van den Idg. wt. as = branden. Zie Eest.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

as ‘verbrandingsrest’ -> Negerhollands haschěsis, hassesje, assche, ašiši, hašiši, haši, babaši, aschies, assisje, az ‘verbrandingsrest’; Berbice-Nederlands asi ‘verbrandingsrest’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

as* verbrandingsresidu 0901-1000 [CG WPs Gloss.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

117. In zak en asch zitten,

d.w.z. in rouw gedompeld zijn, doch in ironischen of schertsenden zin gebruikt, ook in de weinig ernstige gevallen van het dagelijksch leven. In bijbeltaal wordt de mensch gelijkgesteld met stof en asch van wege zijn nietigheid in vergelijking met den Almachtige. Vandaar dat de Israëlieten ten teeken van rouw, van verootmoediging zich het hoofd met asch bestrooiden, waarbij zij zich tevens hulden in een zak, d.i. een zwart haren kleed, zonder mouwen, alleen met armsgaten; vgl. bijv. Esther 4, 1: Als Mordechai wist al watter geschiet was, soo verscheurde Mordechai sijne kleederen, ende hy trock eenen sack aen met assche; 4, 3: (Er) was een groote rouwe onder de Joden..... Vele lagen in sacken, ende assche. Zie Ndl. Wdb. II, 117 en Zeeman, 53-54; Laurillard, 62 en zie nog Jerem. 6, 26; Jona 3, 6; Jes. 58, 5; Dan. 9, 3; Matth. 11, 21; vgl. fr. faire pénitence dans le sac et dans la cendre; hd. in Sack und Asche trauern, Busze tun; eng. to do penance in sackcloth and ashes.

118. Asch is verbrande turf.

Dit zegt men tot iemand, die allerlei onderstellingen uitspreekt in volzinnen, die beginnen met als (uitgesproken as), om hem het ijdele en nietswaardige daarvan te doen gevoelen. Vgl. Smetius, 227: As, en is gheen vier. Vgl. Seiler, 176 vlgg.; 425. In Zuid-Nederland gebruikt men hiervoor, volgens Schuermans 116: Asch is verbrand houtZie ook Antw. Idiot. 167 en Draaijer, 3. of asch is verbrand hout en kolen is vonkhout (Joos, 197). Analoge spreekwijzen zijn er vele, o.a. Assen ligt in Drenthe; asch ligt aan den haard (Harrebomée I, 22); as de lucht invalt, zijn al de veugels gevangen of dood (Teirl. 85); als de hemel valt hebben we allemaal een blauwe muts (Harrebomée I, 302); as komt in de meulen te pas (Taalgids IV, 248; Bergsma, Dr. W. 22); fri. as de mounle gjin as hied, koed er net meale (als de molen geen as had, kon hij niet malen); as de as breekt, dan valt de kar (Land v. Waas). Aan iemand, die och! zegt, als uitroep van ontevredenheid en wrevel antwoordt men: Og was de koning van Basan (Zeeman, bl. 394; Laurillard, bl. 35); en aan hem, die verklaart: ik docht dat het zoo was: je dochters bennen hoeren (volgens Zeeman, bl. 394; hd. Dachte sind keine Lichte) of je dochters loopen in Amsterdam met visch te koop (Harreb. III, 9); in N.-Brab. dochters zijn geen zoons. Zegt iemand: ik meende 't zoo, dan krijgt hij ten antwoord: Meenen ligt dicht bij Kortrijk of Meenen ligt in Vlaanderen (Harrebomée II, 71 en Taalgids V, 156); ook Mijnen ligt op Drente of Mijnen het zoo mennig old wief bedrogen (Taalgids V, 156); Meenen is nen bedregert, nd. Meener is een Bedreeger. Aan hem die zegt ik wou wel dat, enz. antwoordt men: Wouw ligt een uur achter Roozendaal of wouwen vliegen hoog of zijn kuikendieven; en tot dengene, die tot spoed aanspoort door gauw! gauw! te roepen: Gauw ligt dicht bij Sneek, fri. Gau leyt tichte by Snits. Op het verzoek wacht nou effe antwoordt men in de Bommelerwaard: der is mer één effe in 't a b c (V.d. Water, 72). Vraagt men iemand, wiens woorden men niet goed verstaan heeft, watte? dan luidt het antwoord 't Is geen watte, maar wolle of watte verkoopt men in den winkel (Taalgids VII, 211), watte is tusschenvoering, watte zwarte katte(n) of watten verkoopt de apotheker of in Twenthe: watte is 'n endegatte (= eendenaars); in Hageland: watte! een schotel patatte voor uw tong te lappe! (Claes, 280); op de woorden na den eten volgt het antwoord: na de neten komen de luizen. Zegt men in Antwerpen iets noo (= noode) te doen, dan luidt het antwoord: Noo (Noë) was ook 'ne grooten heilige, Noo heeft negenhonderd jaar geleefd en gèren (gaarne); in het Land v. Waas, wanneer men beweert: 't schol (scheelde) niet veel: ja, maar schol is visch (Waasch Idiot. 578 a); aan iemand, die beweert dat het vroeger ‘beter was’ geeft men ten antwoord: was (bijenwas) is altijd beter, al regende het honing! Op de aansporing Kom nou! volgt het antwoord nauw is niet wijd en lastig op zijn tijd en op de bewering 't Kan me niet schelen - Schelen zijn de mooiste niet. Zie ook nog het art. Lieverkoekjes.

In het Limburgsch kent men: es is een krom letter, en in het Nederduitsch de volgende zegswijzen: Wennik is een Underrok; wenn de Hemmel infallt, so krige wi enen groten Kikenkorf; wenn de Bukke nu lammeden, so gingen de Schape güst, als antwoord aan iemand, die met allerlei vreemde veronderstellingen voor den dag komt (Taalgids IV, 248). In Groenloo geeft men iemand die ‘nee’ zegt, ten antwoord: Nee (d.i. Neede) is hier twee uren vandaan; in de Zaanstreek: hij zit in het zel-schuitje of hij gaat (rijdt) altijd met den zel-wagen van iemand die altijd zegt: ik zal dat doen, maar die beloften niet nakomt (Boekenoogen, 1253); in Deventer: motten bint varkens, woordspeling met moeten (Draaijer, 26). Ten slotte mogen nog de Friesche gezegden volgen: as alle assen ien as wieren, hwet scoe dat in greate as wêze, en as alle wetters ien wetter wieren, hwet scoe dat in great wetter wêze, en as dy greate as den yn dat greate wetter foel, hwet scoe dat in greate plof jaen, d.w.z. waren alle assen één as en alle waters één water, wat zou dat een groote as en een groot water zijn, en wanneer die groote as dan in dat groote water viel, wat zou dat een groote plof geven (W. Dijkstra, bl. 284). Wiltsje (een mansnaam) stiet efter de deur, tot iemand die zegt ik wil niet, en Wier leit tichte by Beltsum, woordspeling met waar. Zegt iemand ik kin net, dan antwoordt men: lit it kin mar hingje, en doch (doe) 't mei de hannen, wat te vergelijken is met het Antw. zet de kan weg en neem de stoop, en het Bommelerwaardsche zet de kan neer en vat de leer (V.d. Water, 92) als antwoord op: ik kan niet.

119. Uit zijn asch verrijzen,

eig. gezegd van den wondervogel Phoenix (Feniks), en daarna bij vergelijking van al wat verbrand is en dan nog schooner weer wordt opgebouwd (Ndl. Wdb. II, 716). Van dezen vogel vertelt Herodotus dat hij om de 500 jaar, uit Arabië, in Egypte verscheen, en op een arend geleek met goudkleurige vederen met rood doormengd. Maerlant spreekt van 340 jaar (Nat. Bl. III, 1267 vlgg.), Vondel van 600: De Phoenix

 Die nimmer zijns ghelijck ziet, noch ghezien en heeft.
 Die nae sess eeuwen zat, en moe van hier te swerven,
 Zich willigh en van zelf toerustet om te sterven,
 Op eenen steylen Bergh, daer hij zijn dood-bedt sticht
 Met zoet welruyckend hout, t' welck 't heete zomer-licht,
 Vermids zijn stralen komt ontstekende verrasschen,
 De Vogel flucx verbrand, en wordt verteert tot asschen;
 Waer uyt allencx ontstaet en voorts kruipt eenen worm,
 Daer uyt een Phoenix wordt vernieuwt nae d' eersten form.

Zie Warande der Dieren, 123; Joseph in Dothan, vs. 1119 vlgg. Verdam in Handelingen en Meded. der Mij. v. Ltk. te Leiden, 1898, bl. 76; Volkskunde XXIII, 84. Onder een feniks verstaan wij verder iemand, die de beste, de eerste is onder zijn soortgelijken, die boven anderen uitmunt; vgl. Vondel V, 427:

 Ghy, Helhont, past het u, dien Hercles na te bassen,
 Te steuren op 't autaer den FenixHugo de Groot. in zijn assen,
 Den mont van 't Hollantsch recht, by Themis zelf beweent?
 Zoo knaegh uw tanden stomp aen 't heilige gebeent.

2178. Tusschen twee stoelen in de asch vallen (of zitten),

d.w.z. tusschen twee gevallen niet weten te kiezen en dus niets uitrichten of de gelegenheid verzuimen; in verlegenheid zitten; eene nog dialectisch bekende uitdrukking, die sedert de middeleeuwen voorkomt. Vgl. mlat. labitur enitens sellis haerere duabus; sedibus in mediis homo saepe resedit in imis; Sev. Vroeden, 3357: Daer viel si van twee stoelen op derde, dat haer dede int herte wee (vgl. fr. demeurer ou se trouver entre deux selles le cul par terreOn se trouve souvent reduit à cette situation pour avoir porté ses prétentions trop haut, ou encore pour avoir voulu maladroitement poursuivre plusieurs buts à la fois.); Despars, 2, 331: Zittende by dien middele tusschen twee stoelen in d'asschene (in groote verlegenheidMnl. Wdb. VII, 2161.); Coornhert, Paradoxa, 420 r: Door welcke verkeerde leeringhe ghy 't volck den tegenwoordighen rust (die eenen voorsmaeck des eeuwighen levens is) metten toekomende berovende, fijn tusschen twee stoelen inder Asschen settet; Campen, 133: Hy sit tusschen twee stoelen in d'assche; Colijn v. Rijssele, Sp. der M., 111 v: Sy set u tusschen twee stoelen in dasschen; Idinau, bl. 11; Cats I, 421; Tuinman II, 119: Wat baaten twee stoelen, als men tusschen die beide in de asch zit? Halma, 35; H.S. 77: Nu zit men tusschen twee stoelen in de asch; Adagia, 61: Tusschen twee stoelen in d' asschen sitten, inter sacrum saxumque stare; Harreb. I, 21; Ndl. Wdb. II, 715.; Het Volk, 22 Oct. 1913 p. 1 k. 1: Steunen op ons - of steunen op een deel der rechterzijde - wil zij tusschen die twee stoelen in gaan zitten, dan valt zij (de Regeering) op den grond; H. Post, 3 Aug. 1918 p. 905 k. 4: De Duitschers vinden hem niet Duitsch genoeg, de anderen vinden hem te Duitsch. Zoo zit hij vrijwel tusschen twee stoelen op den grond; Afrik as jij op twee stoelen tegelijk wil sit, kom jij op die grond te lande; fri. twisken twa stoellen yn 'e yeske sitten, in verlegenheid; mhd. zwischen zwein stühlen sitzen; under zwên stûlen nider sitzen; hd. sich zwischen zwei Stühle setzen, von zwei Dingen, die man zugleich erhalten möchte, keins bekommen; eng. to fall between two stools, to fail from vacillation between two courses; Wander IV, 939-940.

2397. Geen vinger in de asch (of de aarde) kunnen steken,

niet het minste of geringste kunnen doen; eene herinnering aan den tijd, toen er geen kachels maar open haarden waren, zoodat een kind zeer gemakkelijk een vinger in de asch kon steken (vgl. asschepoester). De uitdrukking dagteekent dan ook uit de 16de eeuw, blijkens Sart. I, 2, 20: Wy mogen niet een vinger in de Assche steken, wy hebben altijt de Lever gegeten; II, 7, 19: hy steeckt niet een vinger in d'assche buyten hem, ubi quis de minutissimis etiam rebus aliquem crebro, nimiumque diligenter consulit; III, 10, 29: Daer wert niet een vinger in d'assen gesteken, of hy weet het; Tuinman I, 159: Men mag niet een vinger in de assche steken, de meening is, niet het allerminste doen, of het word geweten; D. Meyd.S.v. Rijndorp, Derde Meydag of Verhuystijd, kluchtspel, 's-Gravenhage, 1708. 16: Geen vinger wiert in d'aard gestooken of het wiert voort van haar gerooken, C. Wildsch. III, 23: Mensch! wij kunnen geen vinger in de asch steeken, of hij wil het weeten; W. Leevend, II, 127; Harrebomée I, 21; Nest, 11: Niemand in de buurt kon een vinger in de asch steken, of ze waren er met hunne neuzen bij; B.B. 9: Ik kon geen vinger in de asch steken of mijn zeevader stond klaar mij te corrigeeren; Het Volk, 17 Sept. 1913, p. 8 k. 1: Mij om opheldering te laten vragen door het eerste het beste jonge broekje in de Partij, als ik een vinger in de asch steek, daar pas ik voor; Molema, 15: hij duurt (durft) gijn vinger in de aske steken, moet anderen steeds naar de oogen zien; fr. men kin gjin finger yn 'e yeske stekke. Ook in Zuid-Nederland: ge kunt geenen vinger in de assche steken, of hij weet het, men mag niet het minste doen, of hij bemoeit er zich mede (Antw. Idiot. 1550; Waasch Idiot. 81).

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut