Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

arrestant - (iemand die in hechtenis is genomen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

arresteren ww. ‘in hechtenis nemen; vaststellen van een tekst’
Mnl. aresteren ‘aanhouden’ [1254; CG I, 54], arresteren ‘id.’ [1275-1300; CG I, 18], arasteren ‘in beslag nemen’ [1295; CG I, 2196], en, gewoner, rasteren [1282; CG I, 846]; vnnl. arresteren ‘in beslag nemen (van goederen)’ [1501; WNT Supp.], ‘in hechtenis nemen’ [1528; WNT Supp.], ‘bij besluit vaststellen’ [1599; Kil.].
Ontleend aan Oudfrans ar(r)ester ‘doen blijven’ [12e eeuw; Rey] (Nieuwfrans arrêter), ontwikkeld uit vulgair Latijn *arrestare, gevormd uit → ad-, hier alleen een overgankelijkmakend voorvoegsel, en Latijn restāre ‘blijven’, zie → rest.
De betekenissen ‘in hechtenis nemen’ en ‘in beslag nemen’ zijn niets anders dan concretiseringen van het algemene ‘doen stoppen, onbeweeglijk maken’. Via ‘onveranderlijk maken’ kan dan ook de betekenis ‘vaststellen (van een tekst of rekening)’ worden verklaard. De Nederlandse betekenissen weerspiegelen die van het Frans.
In de Middelnederlandse periode was de vorm met afgesleten anlaut rasteren ‘in hechtenis of beslag nemen’ gebruikelijker. Het Vroegnieuwnederlandse arresteren kan niet opnieuw ontleend zijn aan het Frans, dat inmiddels al de vorm arrêter had. Daar het Nederlandse zn. arrest nog steeds bestond, kan arresteren wrsch. beter worden beschouwd als een hernieuwde afleiding daarvan.
arrestant zn. ‘gearresteerde’. Vnnl. ‘hij die arresteert’ [1545; WNT Supp.], nu alleen ‘hij die gearresteerd wordt’ [1740; WNT Supp.]. Ontleend aan Oudfrans arestent. ♦ arrest zn. ‘hechtenis, beslaglegging; gerechtelijke uitspraak’. Mnl. ar(r)est ‘saldo, som van een rekening’ [1343-45; MNW]; vnnl. arrest “sentencie gegeuen biden ouersten rechter daermen af appelleren en mach” (‘vonnis, uitgesproken door de hoogste rechter, waartegen men niet kan appelleren’) [1503; Boutillier], ar(r)est ‘rustpunt, steunpunt (voor de lans in een harnas)’ [1530; MNW]. Ontleend aan Oudfrans arest (Nieuwfrans arrêt ‘beslaglegging, arrest, gerechtelijke uitspraak’).

EWN: arresteren ww. 'in hechtenis nemen; vaststellen van een tekst'; de betekenis 'vaststellen' (1599)
ANTEDATERING: auctorisatie ... om te … arresteren 'machtiging om ... vast te stellen' [1580; iWNT vredehandeling]
EWN: ♦ arrestant zn. 'gearresteerde'; de betekenis 'wie onder arrest staat' (1740)
ANTEDATERING: een Arrestant 'iemand die onder arrest staat' [1733; Maendelyksche okt., 434]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

arrestant znw. Uit fr. arrestant > arrêtant, tegenw. deelw. van arrester > arrêter, dat al in het Mnl. is ontleend: mnl. (ar)restêren, nnl. arresteeren. Dezelfde opvallende passieve bet. als ndl. arrestant hebben ook hd. en de. arrestant.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

arrestant (Oudfrans arestant)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

arrestant ‘iemand die in hechtenis is genomen’ -> Negerhollands arrestant ‘gevangene’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut