Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

arrenslee - (sierlijke slee, getrokken door paarden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

arrenslee zn. ‘sierlijke slee, getrokken door paarden’
Vnnl. narrenslee [1617; WNT narreslede]; nnl. arreslede [1740; WNT]. In verkorte vorm nar [1615; WNT nar II], ar [1832; WNT].
Samenstelling uit → nar en → sle(d)e. Door verkeerde woordscheiding van 'n narreslee (met onbepaald lidwoord) kon dit in de spreektaal arreslee worden (zoals ook gebeurd is in bijv.aak 1, → adder, → aveelzaad, → avegaar, → okkernoot). In de schrijftaal bleef de vorm met n- nog tot in de 19e eeuw zeer gebruikelijk.
Het tuig van de paarden voor de ar was rijkelijk voorzien van bellen en riep de gedachte op aan een narrenpak.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

arreslee

Men zegt gewoonlijk kortweg: ar, maar waar dat woord vandaan komt, weten verreweg de meeste mensen niet. Het heeft namelijk in de uitspraak zijn kop verloren. Oorspronkelijk luidde het: nar, in de bekende zin van: zot, dwaas. Zegt men nu ‘een nar’ dan wordt dat precies zo uitgesproken als wanneer men zegt: ‘een ar’. Een arreslee is dus eigenlijk een narrenslee en hij werd zo genoemd naar de pluimen op de kop van het paard en naar de rinkelbelletjes aan hoofdstel en leidsels.

Het komt vaker voor dat een woord op dezelfde wijze zijn beginletter verliest. Het Duitse woord Natter bewijst dat een adder vroeger nadder heette. Zo is aak: platboomde vissersschuit uit naak ontstaan en okkernoot uit nokkernoot, waarvan het eerste deel ook al noot betekent.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

arreslee v., door aphaerese voor narreslee, heeft wegens de vele bellen aan de narren haar naam ontleend.

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Arreslede, ook Narreslede, benaming voor een min of meer sierlijke, door een of meer met bellentuig voorziene paarden getrokken slede. De belletjes hebben de slede dien naam gegeven, daar ze deden denken aan de kleeding der narren, een overblijfsel van die bellenkleeding vindt men nog bij den “belleman”, een figuur van de oude kermissen. Het woord verloor de n aan ’t begin, doordat men die letter hield voor den verbuigingsuitgang van het lidwoord (vgl. avegaar, van naaf; adder, hgd. Natter). Het ww. voor het rijden met de arreslede, of ar bij verkorting is arren, niet narren, evenmin als men de verkorting nar voor narreslede gebruikt.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

arrenslee door paarden over sneeuw voortgetrokken slee 1740 [WNT Suppl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut