Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

armzalig - (ellendig, schamel)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

Over het woord armzalig is verder nog gepupliceerd in het volgende artikel:

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

armzalig bn. ‘ellendig, schamel’
Vnnl. armzaligh [1669; WNT]. De oudere, maar geïsoleerde vindplaats armzielig [1651; WNT armzielig] is wrsch. een volksetymologische vervorming.
Wrsch. ontleend aan Duits armselig ‘behoeftig, ontoereikend’ [15e eeuw; Pfeifer], waarbij -selig werd opgevat als een samenstellend tweede lid selig ‘zalig’; het Duitse woord is echter afgeleid van het zn. armsal ‘armoede, ellende’, dat weer een afleiding is van het bn. arm (zie → arm 2) met het achtervoegsel -sal, zie → -sel.

EWN: armzalig bn. ‘ellendig, schamel’ (1669)
ANTEDATERING: Armzalige, waer ben ick dan? [1660; iWNT]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

armzalig [pover] {1669} vermoedelijk < hoogduits armselig (het duitse -selig is een afleiding van -sal; in bv. Müh-, Saum- en Trübsal is -sal een abstracta vormend achtervoegsel).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

armzalig

Woorden als armzalig en rampzalig maken wel een wat vreemde indruk. Bij het eerste zou men nog kunnen denken aan: zalig zijn de armen van geest, maar wat moeten we dan met het tweede aan? Wanneer een ramp geschiedt, pleegt men zich toch niet zalig te gevoelen. Wij zullen bij de verklaring van beide woorden moeten uitgaan van een samenvoeging: twee woorden, die ongeveer hetzelfde betekenden, groeiden als het ware aaneen. Die woorden waren dan: rampelijk en onzalig, waaruit rampzalig en armelijk en onzalig, waaruit armzalig is ontstaan. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ook andere verklaringen beproefd zijn.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

armzalig bnw., vrij laat < nhd. armselig (sedert de 15de eeuw bekend). — W. de Vries Ts. 33, 1914, 146 verdedigt een herkomst uit een nl. samenstelling en onderstelt een mnl. *arvetsalich (= mhd. arbeitsælec ‘in nood levend’) met secundaire invloed van *armet = ‘armoed’, een verklaring die met te veel onbekenden werkt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

armzalig bnw., nog niet bij Kil. Wellicht naar hd. armselig (sedert de 15e eeuw); ook het euphemistische, bij Kil. vermelde saligh “pauper, miser, quod beati sint pauperes spiritu, scripturae testimonio” en het reeds mnl. rampzalig kunnen hierbij invloed hebben gehad.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

armzalig. Zie over dit woord nog v. Lessen Samengest. Naamw. 127.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

armzalig bijv., naar Hgd. armselig: z. rampzalig.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

armsalig b.nw.
Gering, nietig, treurig, ellendig.
Uit Ndl. armzalig (1669), mntl. 'n samestellende afleiding met -ig van arm 'ongelukkig' en 'n lid -zal- wat teruggaan op 'n Oudgermaanse s.nw. sæl 'tyd, omstandigheid, geleentheid', ook 'gunstige tyd, geluk', 'n woord wat verband hou met Ndl. zalig.
Ndl. armzalig mntl. uit D. armselig (15de eeu).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

armzalig (Duits armselig)

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Armzalig, nog niet in ’t mnl.; niet een samenstelling van arm en ’zalig, maar een samenstellende afleiding van arm en zaal door den uitgang ig, waarin het woord zaal een oudgermaansch woord is, met de bet. tijd, omstandigheid, gelegenheid, ook gunstige tijd en geluk; de oorspr. bet. was ellendig, rampspoedig. Later verzwakte de bet. en nu heeft het die van beklagenswaardig, armelijk, gering, nietswaardig, “Armzalig overschot van vroegere grootheid”. Het wordt dikwijls gebruikt op de manier, waarop wij ook ongelukkig gebruiken: “denk je, dat ik om die armzalige paar dubbeltjes zal liegen?”

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Zalig, door ig verlengd van een oud, maar niet aangetoond zaal (vgl. ’t Got. sei + s = goed, deugdelijk, heilzaam; Angels. sael = geluk en gelukkig; Mhd. saelde = geluk, heil). Zalig w.d.z.: gelukkig, heilvol.
Het achtervoegsel -zalig in rampzalig, armzalig, enz. heeft met zalig niets te maken; het is een navolging van enkele Hgd. woorden als trübselig (volgens onze letterlijke vertaling „droefzalig”), mühselig (”moeizalig”) enz., waarin selig niet ons zalig is, zooals men meende, maar afkomt van het achtervoegsel sal met ’t achtervoegsel ig; m.a.w.: trübselig is afgeleid van Trübsal (= droefenis), waarin sal ongeveer aan ons sel (baksel, enz.) beantwoordt, en van dit Trübsal komt als afl. met ig: trübselig.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

armzalig pover 1669 [WNT Suppl] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut