Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

arm - (lichaamsdeel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

arm 1 zn. ‘lichaamsdeel’
Onl. arm ‘id.’ [10e eeuw; W.Ps.].
Os. arm; ohd. ar(a)m (nhd. Arm); ofri. erm (nfri. earm); oe. earm (ne. arm); on. armr (nzw. arm); got. arms; < pgm. *armi-, *arma-.
Verwant met Latijn armus ‘bovenarm, schouderblad’, arma (alleen mv.) ‘wapens’ (zie → alarm); Grieks harmós ‘gewricht, samenvoeging’, harmonía ‘samenhang, harmonie’ (zie → harmonie); Oudkerkslavisch ramo ‘schouder, arm’ (Tsjechisch rameno ‘schouder’); Armeens armukn ‘elleboog’; bij de wortel pie. *h2erH-m- ‘gewricht’. Uit de nultrap van dezelfde wortel zijn verwant: Sanskrit īrmá-; Avestisch arəma- ‘arm’; Oudpruisisch irmo ‘arm’. Zonder m-achtervoegsel is onder meer verwant Latijn artus ‘gewricht’ (waaruit bijv.artikel, → articulatie), ars ‘kundigheid’ (waaruit bijv.artiest).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

arm1* [lichaamsdeel] {901-1000} oudhoogduits arm, aram, oudfries erm, oudengels earm, oudnoors armr, gotisch arms; buiten het germ. latijn armus [schouderblad, bovenarm, schoft], grieks armos [gewricht], oudindisch īrma- [arm], oudkerkslavisch ramo [bovenarm, schouderblad], oudpruisisch irmo [arm].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

arm 1 znw. m., mnl. arm, aerm, arem, onfrank. os. arm, ohd. arm, aram, ofri. erm, oe. earm, on. armr, got. arms. — lat. armus ‘bovenarm, schouderblad’, oi. īrmas ‘arm’, av. arəma ‘arm’, osl. ramo, rame ‘schouder’, opr. irmo ‘arm’, arm. armukn ‘elleboog’, afleiding van idg. wortel *ar- ‘samenvoegen, passen’, vgl. gr. ararískō aaneenvoegen’, arthmós ‘verbinding, vriendschap’, árthron ‘lid’ (IEW 55-61).

Daarnaast staan andere vormen der wortel, die in het ndl. hun weerklank vinden:
*rē, vgl. honderd, raad
*rēi vgl. gereed.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

arm I znw., mnl. arm (aerm, ārem) m. = onfr. arm, ohd. ar(a)m (nhd. arm), os. arm, ofri. erm, ags. earm (eng. arm), on. armr, got. arms m. “arm”. Idg. *arəmo-. Vgl. buiten ʼt Germ. lat. armus “bovenarm”, gr. harmόs (uit *armόs) “samenvoeging, voeg, schouder”, obg. ramo, rame̜, serv. rȁme “schouder”, arm. armukn “elleboog” en met ablaut opr. irmo, oi. îrmá- “arm”, (lat. râmus “tak”?) uit *arәmó- (*ṛ̂mó-). Evenals lat. artus “lid”, gr. árthron “lid, gewricht” behoort *arәmo-, *arәmo- bij de basis ar- “voegen, schikken”, waarvan o.a. nog gr. ararískō “ik voeg samen, maak pasklaar”, arm. aṙnem “ik maak”, oi. arpáyati “hij bevestigt” komen. Voor de bet. let vooral op gr. harmós.

[Aanvullingen en Verbeteringen] arm I. Gr. harmós staat (als ’t verwant is) door zijn vocalisme vrij ver van idg. *arəmó- af; hoogstens bij lat. artus enz. te stellen.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

arm I znw. Gr. harmós niet onder de allernaaste verwanten (v.Wijk Aanv.). In ieder geval toch wel bij de basis *ar-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

arm 1 m. (lidmaat), Mnl. arem, arm, Onfra. arm + Ohd. arm (Mhd. en Nhd. id.), Ags. earm (Eng. arm), Ofri. erm, On. armr (Zw. en De. arm), Go. arms + Lat. armus = bovenarm, Gr. armós = voeg, schouder, Arm. armukn = elleboog, Skr. īrmas, Ze. arema, Opr. irmo = arm, Osl. ramo = schouder: Idg. *ṝmos.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

erm (zn.) arm; Aajdnederlands arm <901-1000>.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

naarm zn. m.: arm. Door metanalyse uit den aarm.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1arm s.nw.
1. Enigeen van die twee boonste ledemate aan die liggaam. 2. Sinnebeeld van krag.
Uit Ndl. arm (al Mnl.). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880) in die afleiding arms.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

I. arm zn. (de, -en), (ook, niet alg.:) hals van een snaarinstrument als viool en gitaar. - Etym.: Ontleend aan de vorm en de positie van dit onderdeel.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

arm ‘rivierarm, arm van een stoel’ (bet. van Frans bras)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

arm. Als men iemand eeuwige jeuk en te korte armpjes! toewenst, betekent dat letterlijk veel ongemak. De verwensing komt voor met het werkwoord krijgen en ook in de verkorte vorm krijg te korte armpjes! Blijkens mijn vragenlijsten komt deze verwensing vrij algemeen in Nederland voor. Vgl. ook Van Eijk (1995: 136), die als variant kent ik wens je veel jeuk en korte armpjes! De emotionele betekenis is die van minachting, verachting. → schurft.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

arm ‘lichaamsdeel; uitstekend deel van een voorwerp dat de vorm of functie heeft van de menselijke arm’ -> Deens arm ‘deel van het anker’; Zweeds arm ‘deel van het anker’; Frans dialect armon, armõõ; armoun ‘disselboom van een rijtuig’; Javindo arrem ‘lichaamsdeel’; Negerhollands arm, erǝm, erm ‘lichaamsdeel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

arm* lichaamsdeel 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

112. Iemand in den arm nemen.

Dit wil eigenlijk zeggen: ‘iemands arm grijpen door de hand te steken in de ruimte tusschen den arm en het lichaam, dus ongeveer hetzelfde als bij den arm nemen’. Doet men dit om hem in vertrouwen, om hem min of meer heimelijk iets te vragen, dan krijgt de uitdr. de beteekenis van iemands hulp inroepen, zooals bij Hooft, Gedichten I, 238:

 Minerv' en Juno korts gedenkend' ouwden spijt,
 In wrevlen moedt, tot hóón van Venus, spanden t'zaemen,
 De welgebooren' Eer zy in den arme naemen,
 En deeden tegens haer aenvaerden schoonheidts strijdt.

EpisodesEpisodes uit Hooft's Nederl. Historiën, Zutphen, W.J. Thieme & Cie, 1919., 98: En neemende den Graaf van Meeghen, met Albernoz 's Hartoghen geheimschryver, in den arm, verworven zij endtlyk dat dit voorneemen gestaakt werd. Zie verder Tuinman I, 253 en Ndl. Wdb. II, 655.

113. Iemand met open armen ontvangen.

Men bedoelt hier eigenlijk mede, iemand ontvangen met uitgestrekte armen, gereed om hem te omhelzen; vandaar: zeer hartelijk, zeer voorkomend. Vgl. Tijdschr. XXIII, 255: De vader der genade zal u mit uytgestreckte armen hier boven verwelcomen (Jan v. Hout); voor de 17de eeuw vgl. Hooft, Gedichten II, 163:

 Natuirs geboden dienst is het onwaert en tegen;
 Maer ghij eenvoudich volck ontfangt haer gaven rijck
 Met open armen, en gebruicktse danckbaerlijck.

Zie verder Halma, 35: Hij ontving hem met opene armen, il le reçut à bras ouverts; Ndl. Wdb. II. 655; X, 2007; XI, 522; fr. recevoir qqn. à bras ouverts; hd. einen mit offenen Armen empfangen, aufnehmen; eng. to receive one with open arms.

114. Lange armen hebben.

De arm wordt, evenals de hand (lat. longas manus habere), dikwijls gebruikt als zinnebeeld van kracht, geweld, macht of gezag (vgl. de sterke arm der overheid; de wereldlijke arm, enz.; hd. der Arm der Obrigkeit, der Gerechtigkeit; eng. the strong arm). Zoo in deze uitdr. die wil zeggen: veel macht hebben. Zij komt in de Middeleeuwen voor, blijkens Sp. Hist. I6, 52, 33: Lange aerme, wide hande hebben die heren van den lande; zie verder Servilius, 79: Hi heeft lange ermen ende nochtans is hi arm. Te vergelijken is Pers, 383 b: De koning heeft lange handen en sal 't niet ongewroken laeten; Idinau, 246: Heeren handen reycken verre; Harreb. III, 110: Groote heeren hebben lange armenVgl. ook in het Grieksch μακραι τυραννων χειρες (Montijn, 205); bij Ovid. Her. 16 (17), 166: An nescis longas regibus esse manus?; zie Otto, 210 en Journal, 243.; Sewel, 436: De koningen hebben lange armen, kings have long arms, are powerfull; Ndl. Wdb. II, 650; VIII, 1038; Erasmus CVII; Joos, 136; Teirl. 80. In het Friesch: in lange earm ha; syn earm rikt fier, zijn arm reikt ver; fr. avoir le bras long; hd. lange Arme haben; eng. to have long arms. Het tegenovergestelde korte armen of een korten arm hebben komt ook voor.

819. Op de handen dragen (iemand -),

d.w.z. de teederste zorg voor iemand hebben, en daarna: iemand vereeren, hem buitengewone genegenheid betoonen. Volgens Zeeman, 261 is de uitdr. van bijbelschen oorsprong; zij komt voor in Psalm 91 vs. 12: ‘Hy sal sijne Engelen van u beveelen, datse u bewaren in alle uwe wegen. Sy sullen u op de handen dragen, op dat gy uwen voet aen geenen steen en stootet.’ Zie het Ndl. Wdb. V, 1827; Halma, 203; Sewel, 314 en vgl. het lat. in manibus gestare of habere aliquem (Otto, 250). Vgl. ook de oudgermaansche gewoonte om verkozen vorsten, bruiden of overwinnaars in triomf rond te dragen; Mnl. Wdb. III, 96; Grimm, Myth.4, 742. In Zuid-Nederland: iemand heffen en dragen (Antw. Idiot. 543); ook iemand op zijne armen dragen, vert. van fr. porter qqn sur les bras (Waasch Idiot. 80 a); hd. jemanden auf den Händen tragen; oostfri. up de hanne dragen (Dirksen I, 20).

1557. In Morpheus' armen liggen,

d.i. rustig slapen. Vgl. o.a. Handelsblad, 30 Mei 1914 (ochtendbl.), p. 7 k. 2: Nacht en dag is er doorgewerkt en toen de expositie heden geopend werd, lagen de meesten in Morpheus' armen, om wat op verhaal te komen. Morpheus, de zoon van Hypnos (Somnus), den god van den slaap, bezat volgens Ovidius, Metam. XI, 655 vlgg. de macht om droombeelden op te wekken (vgl. Vondel II (ed. Thijm), bl. 253, vs. 208-211). In het fr. être dans les bras de Morphée; hd. in Morpheus' Armen liegen; eng. to lie in Morpheus' arms. Vgl. het van Morpheus afgeleide znw. morphine, een bedwelmend middel uit opium bereid.

2066. Een slag om den arm houden.

Dit wordt eigenlijk gezegd van een touw, dat men niet ten einde toe laat vieren; vandaar: zich niet onherroepelijk en stellig voor iets verklaren, maar zóo, dat men altijd nog terug kan. Vgl. Tuinman II, 120: hij houdt de streng, of een slag, om den arm. Eene synonieme uitdr. was de bocht onder (of achter) den arm hebben, dat wellicht eveneens ontleend is aan het vieren van een touw, dat men niet terstond geheel laat uitloopen, maar waarbij men een bocht, een slag om den arm houdt, teneinde het uitschieten te beletten. In Groningen en Oost-Friesland beteekent de bocht om de(n) arm hebben welgesteld zijn, er warmpjes in zitten. Zie Ndl. Wdb. II1, 651; III, 16-17; Bergsma, 7; Kippev. I, 375; Handelsblad, 15 Dec. 1914, p. 1 k. 1 (avondbl.): Het Oostenrijksche bericht over den toestand in Servië is een merkwaardig bewijs van de slag-om-den-arm-politiek, die in de oorlogvoerende landen in moeilijke omstandigheden worden gevolgd; Ten Doornk. Koolm. III, 190; Dirksen II, 76 en vgl. het Friesch: hy het de bocht om 'e earmtakke (elleboog), hij heeft wel geld, is boven Jan; hy hâldt in slach om 'e earmtakke, behoudt zich iets voor, zorgt gedekt te zijn; de slach om 'e earm habbe, zijn zaak geldelijk goed kunnen drijven; in slach om 'e earm(en) hâlde, niet alles zeggen, wat men denkt. In Twente: nein drei um 'n arm holden; Afrik. hy hou nog maar 'n slag om die arm.

2647. Met zijn ziel onder den arm loopen,

d.w.z. zich vervelen, rondloopen, zonder iets te doen te hebben; vgl. Harreb. I, 19: Hij loopt met zijne ziel onder den arm; Leeskabinet, 1863, 13: Van doctors gesproken, die loopen nu warempel ook al met de ziel onder den arm; want geen jaar nog was er zoo'n epidemie van - gezondheid, als in 't jaar 1862; Nkr. IX, 10 Juli p. 7: Om negen uur waren al de Joden an 't korveeën, en wij liepen met ons ziel onder ons arm hierboven over 't fort; Het Volk, 8 Sept. 1915 p. 6 k. 4: Al die menschen loopen hier 's Zondags met d'r ziel onder den arm, want in dit gehucht is geen afleiding, geen gelegenheid tot lezen of studeeren; Handelsblad, 28 Juli 1917 (A) p. 13 k. 5: Weet dan dat wij na den dienst in een of ander Brabantsch gehucht veelal met onze ziel al 3 jaar onder arm loopen en niets meer doen dan kankeren; afrik. met jou siel onder jou arm rondloop.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal