Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

Ark - (geografische naam)

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

erk (zn.) 1. ark 2. boog; Vreugmiddelnederlands arke <1265 -1270> < Latien arca.

Thematische woordenboeken

G. van Berkel & K. Samplonius (2018), Nederlandse plaatsnamen verklaard

†Ark (Nijkerk, Gl)
855 kopie ca. 900 in Archi1, midden 12e eeuw in Erca1, midden 12e eeuw in Herca1, 1313 in Erke2, 1434 Arck3, 1630 inden ampte Nijkerck toe Arck4, 1752 tot Arck4, 1830-1855 de Ark5; Verband is gesuggereerd met ohd. archa en westgot. arca, ontleend aan rom. arcus 'boog', die voor de gelegenheid worden vertaald als 'dam' respectievelijk 'grenswal'6, maar deze betekenissen zijn niet van elders bekend. Mnl. arke betekent 'boog om een waterrad', 'gewelfde oven', of 'kist, offerkist'. Daarnaast komt mnl. arke, grontarcke, voor in de betekenis 'kleine sluis of val- of schuifdeur van de sluis'. Voorbeelden van deze laatste betekenis: in de 13e eeuw wordt een weerd "ghelegen boven den arcke tot Wijck" vermeld. Het betreft de locatie in Wijk bij Duurstede waar de Mazijk of Arkgracht in verbinding stond met de Rijn via een arke. In Zuid-Limburg anno 1550: "Voirt syn die van Wilre ende Nijswilre die arck schuldig te batten ende waesen op de gemeynte te graven offt anderwaer, ende den grave open te doen van den arcken tot aen den grooten bennet, om die baek op den bennet ende wyeren te keeren"7.
De oorspronkelijke nederzetting is vóór 1400 verzwolgen door de zee; de naam leeft nog voort in de boerderijnamen Grote Ark en Kleine Ark.
Lit. 1Künzel e.a. 1989 70, 2Hagoort 2006 221, 3NGN 3 (1893) 24, 4Hagoort 2006 221, 5GHAN 3 69, 6Moerman 1956 150, 7WNT sv Ark III.

Hosted by Meertens Instituut