Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

argwaan - (kwaad vermoeden, wantrouwen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

argwaan zn. ‘kwaad vermoeden, wantrouwen’
Mnl. in de afleiding archwanich, -wenich ‘verdacht, achterdochtig’ [eind 14e eeuw, Oost-Nederlands; MNW]; vnnl. argh-waen ‘verdenking, achterdocht’ [1599; Kiliaan], archwaan ‘achterdocht’ [1643; Arsy].
Samenstelling uit de oude vorm van het bn.erg en het zn.waan, wellicht onder invloed van mhd. arcwān (nhd. Argwohn).

EWN: argwaan zn. 'kwaad vermoeden, wantrouwen' (eind 14e eeuw)
ANTEDATERING: al arch waen ende alle nidecheit 'elk wantrouwen en alle naijver' [1290-1300; MNW-P]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

argwaan* [verdenking] {arghwaen 1599} het eerste lid is een nevenvorm van erg1; voor het tweede lid vgl. wanen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

argwaan znw. m., niet mnl. zal wel door invloed uit het Oosten ws. uit het Duits in onze taal gekomen zijn, vgl. mhd. arcwân < arger wân, nhd. argwohn; reeds ohd. arcwanen ‘verdenken, argwaan koesteren’. In dit woord betekent waan nog ‘vermoeden’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

argwaan, is waarschijnlijk onder duitschen (resp. oostndl.) invloed opgekomen: mhd. arcwân (nhd. argwohn) m. “argwaan”; ohd. al arcwânen “verdenken, argwanend zijn”. Het Mnl. heeft alleen archwânich, in limb. teksten. Vgl. waan.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

argwaan m., Mnl. archwaen + Mhd. arcwan (Nhd. argwohn, met o voor a gelijk in holen, mond, wo, enz.), is de stam van argwanen + Ohd. arcwânen = kwaad denken, gevormd met het zelfst.nw. *arg (z. arglist en erg).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

argwaan s.nw.
Wantroue, agterdog, vermoede van iets skadeliks, ens. wat op geen of skamele bewyse berus.
Uit Ndl. argwaan (al Mnl.), 'n samestelling van arg 'boosheid, slegheid' en waan 'dunk, vermoede, denkbeeld'.
Vgl. argeloos, arglistig.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

argwaan (Duits Argwohn)
Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

argwaan verdenking 1599 [Kil.] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut