Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

argument - (bewijsmiddel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

argument zn. ‘bewijsmiddel’
Mnl. argument ‘bewijs’ [1265-70; CG II, Lut.K].
Al dan niet via Frans argument ‘id.’ [1170; Rey] ontleend aan Latijn argūmentum ‘wat aan de duidelijkheid bijdraagt; bewijs’ bij arguere ‘duidelijk maken, bewijzen’.
argumenteren ww. ‘redeneren’. Vnnl. argumenteren “disputeren” [1553; Mussem], ‘redeneren, bewijsgronden aanvoeren’ [1561; WNT Supp.]. Ontleend aan Frans argumenter ‘id.’ [ca. 1150; Rey], afleiding van argument.

EWN: ♦ argumenteren ww. ‘redeneren’ (1553)
ANTEDATERING: zonder argumenteren meer 'zonder nog te redetwisten' [ca. 1530; iWNT]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

argument [bewijsgrond] {1265-1270} < frans argument < latijn argumentum [idem], van arguere [aantonen, betogen, oorspronkelijk: helder maken], verwant met argentum [zilver, ‘het heldere metaal’].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

argument s.nw.
Rede of bewysgrond aangevoer ten gunste van of teen 'n stelling.
Uit Ndl. argument (al Mnl.). Eerste optekening in vroeë Afr. op 11 Desember 1719 in die aanhaling "dat argument dierhalven niet hadden behooren" (Resolusies van die Politieke Raad, C.50).
Ndl. argument uit Fr. argument uit Latyn argumentum, met lg. van arguere 'aantoon, betoog', oorspr. 'helder maak'.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

argument (Latijn argumentum)

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Argument (< Lat. argumentum = bewijsgrond; arguere = in het licht stellen) Het wiskundig spraakgebruik, om de onafhankelijk veranderlijke van een functie en i.h.b. de hoekcoördinaat in een poolcoördinatenstelsel het argument te noemen, dateert van de Latijnse vertaling, die Athelhard van Bath (12e eeuw) van een astronomisch werk van al-Hu-wârizmî maakte; hij noemt hierin een hoek, waarvan in een tafel de waarde van den sinus wordt opgegeven, argumentum; het motief hiervoor is onbekend; het vertaalde Arabische woord ḥissa beduidt nl. ,,deel van een boog”. De mogelijkheid bestaat, dat er een verwarring met ḥuğğa is begaan, dat de betekenis argument heeft.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

argument ‘bewijsgrond’ -> Indonesisch argumén ‘bewijsgrond’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

argument bewijsgrond 1265-1270 [CG Lut.K] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut