Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

argeloos - (aan geen kwaad denkend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

argeloos bn. ‘aan geen kwaad denkend’
Nnl. argeloos ‘id.’ [1794; WNT Supp.].
Ontleend aan Duits arglos ‘id.’ [1750-1800; Pfeifer], gevormd uit het zn. arg ‘het kwade’ (zie → erg) en het achtervoegsel -los (→ -loos).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

argeloos [onschuldig] {1794} < hoogduits arglos, van arg [erg, boosaardig] + -los [-loos].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

argeloos bnw., eerst sedert c. 1800 < nhd. arglos.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

argeloos bnw. Nnl.; ± 1800 uit hd. arglos.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

argeloos bijv., van het oude zelfst.nw. arg (z. erg).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

argeloos b.nw. Ook argloos.
1. Sonder erg, sonder om iets kwaads te dink. 2. Onskuldig.
Uit Ndl. argeloos (1808 in bet. 1, 1860 in bet. 2). In Mnl. kom argeloos nie voor nie, wel die uitdr. sonder arch (ende list) 'sonder bose oogmerke'.
Ndl. argeloos uit D. arglos, 'n afleiding met -los 'sonder' van arg (Middelhoogduits arc uit Germ. *arga- 'lafhartig').
Vgl. arglistig, argwaan.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

argeloos (Duits arglos)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Argeloos = zonder arg of erg. Dit erg bet. oorspr. in verschillende talen kwaad, boos, laag, gemeen, gierig, dus allerlei slechte eigenschappen. Arglist is dus: booze list; argwaan = slechte waan (d.i. meening); ergeren = erger, boozer maken; verergeren = slechter worden.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

argeloos onschuldig 1794 [WNT] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut