Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

arend - (roofvogel van het geslacht Aquila)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

arend zn. ‘roofvogel van het geslacht Aquila
Onl. *aro in de plaatsnaam Arlo [820; Künzel 70] < *aro-lauha ‘adelaarsbos’, nu ‘Tinaarlo en Taarlo (Drente)’; en *arnu- in de plaatsnaam Arnuurd [900-1100; Künzel 71], nu ‘Arwerd (Groningen)’; mnl. haren [1285; CG II, Rijmb.], aren [1287; CG II, Nat.Bl.D], are [1270-90; CG II, Moraalb.]. Later met -t: aernt [1400-50; MNW aernt], vnnl. arend [1544; WNT].
Voor mnl. aern, aren moet uitgegaan worden van een n-stam, pgm. *ara-, zoals in: ohd. aro (mhd. ar, genitief arn; hieruit ook de samenstelling adel-ar, door het Nederlands ontleend als → adelaar); on. ari; got. ara. Van de verbogen vormen is secundair een nominatiefstam met -n- gevormd; dus pgm. *arnu-, zoals in het Nederlands en in: mnd. arn(e); nfri. earn; on. örn. Deze vorming is vergelijkbaar met die van *bernu- (bijv. ohd. bern, en in de eigennaam Bernhard) naast → beer; en die van → eland (eveneens met paragogische t, en met daarnaast onl. elo). Een geheel andere mening over de uitgang van arend is te vinden bij Pijnenburg, die er een rest van een oude nt-stam in ziet. Aangezien deze stammen gewoonlijk afgeleid zijn van werkwoorden (zie bijv.vriend, → vijand), lijkt dit minder wrsch.
Men verbindt pie. *h1er-, *h1or- ‘(grote) vogel’ met verschillende achtervoegsels: -n- (> Grieks orn-īth- ‘vogel’, zie → ornitholoog); -l- (> Litouws erlis; Oudkerkslavisch orĭlŭ ‘arend’); -r- (> Oudiers irar ‘arend’; Armeens oror, urur ‘meeuw’).
De slot-t, nu als d geschreven vanwege het meervoud arenden, is een latere ontwikkeling in het Nederlands. Bij de meeste Middelnederlandse vindplaatsen ontbreekt zij nog. Deze zogenaamde paragogische -t, beschreven door o.a. Van Haeringen, werd veelal achter n, l en r toegevoegd, bijv. in enkeld, nevenvorm van → enkel, en → sedert (naast Middelnederlands seder). Ook na fricatieven treedt dit verschijnsel op, zie → burcht. In het specifieke geval van arend kan deze ontwikkeling versneld zijn door een volksetymologische associatie met de Middelnederlandse eigennaam Aernt, oorspr. een oude Germaanse samenstelling uit *arn- ‘arend’ en het element -wald ‘heersen’, zie → geweld.
Lit.: C.B. van Haeringen (1938) “Over z.g. ‘paragogische’ consonanten in het Nederlands”, in: NTg 32, 261-273, ook in Haeringen 1949; W. Pijnenburg (1987) ‘De staart van de eland. Een etymologische coupure’, in: LB 76, 305-314

EWN: arend zn. 'roofvogel van het geslacht Aquila'; de vorm arend (1544)
ANTEDATERING: van den huuse dat men heet den cleenen arent [1366; iMNW love]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

arend* [roofvogel] {aren 1285} oudsaksisch, oudhoogduits arn, fries, oudengels earn, oudnoors ǫrn, gotisch ara; de dentaal aan het eind van het woord is een latere vorming. Buiten het germ. grieks ornis [vogel], oudkerkslavisch orĭlŭ, litouws erelis, oudiers irar, welsh eryr [arend].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

arend znw. m., mnl. arent (zelden) met paragogische t naast het gewone aren, a(e)rn, vgl. fri. earn. Grondvorm is arna- vgl. os. arn, mhd. arn(e), ohd. arn, oe. earn, on. ǫrn. Daarnaast aran in ohd. aro, on. ari, got. ara. — gr. órnis ‘vogel’, osl. orĭlŭ, lit. erelis, lett. èrglis, oiers irar ‘arend’, arm. oror, urur ‘meeuw’ (IEW 325-6).

Overdrachtelijk betekent arend ‘kromomgebogen uitsteeksel aan brede zeis voor bevestiging van de steel’, gewestel. in Zeeland, Zuid-Holland (spor. N.-Holl.) Friesland (vorm earn) en Groningen, typisch ‘kustwoord’, zeker van hoge ouderdom; zie Kloeke, NGN 11, 1938, 24-6 met kaart.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

arend znw., mnl. (zeldzaam) ārent (d) met jongere d (vgl. iemand) naast gewoner āren, a(e)rn m. “arend”; in ’t Fri. nog earn “arend”. Met rekking van a vóór r + dentaal. Vgl. garen, baard. = ohd. os. arn, mnd. arn(e), ar(e)nt, ags. earn, on. ǫrn m. “arend”, germ. *arna-, *arnu-. Hiernaast *aran- in ohd. os. aro (nhd. dichterlijk aar; vgl. adelaar), on. ari, got. ara m. “arend”. Vgl. buiten het Germ. kymr. eryr “arend”, gr. órnis “vogel”, obg. orĭlŭ, lit. erẽlis, arẽlis “arend”. Misschien verwant met rennen. In de saks. diall. van Nederland beteekent aorent “doffer”, evenzoo mhd. dûf-arne m.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

arend 2 m. (visch), vergel. Hgd. meeradler: zoo genoemd om zijn grootte en zijn vorm.

arend 1 m. (vogel), Mnl. arent, aren, Os. arn + Ohd. arn (Mhd. arn), Ags. earn, On. ǫrn (Zw. örn, De. ørn); de d in ’t Ndl. is anorgan., als in iemand, borst, enz.; den vorm zonder paragogische d heeft men in Arn-hem. Nevens aren bestaat ook een nom. aar (als in adelaar), Mnl. are + Ohd. aro, gen. arin (Mhd. ar, Nhd. aar), On. ari, Go. ara, gen. arins + Gr. órnis = vogel, Osl. orĭlŭ = arend, Lit. erẽlis.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

A.A. Weijnen (2003), Etymologisch dialectwoordenboek, Den Haag

aorend, oand, eurend mannelijke duif (Gelderland-Overijssel). = nl. arend ‘bep. roofvogel’. ~ gr. ornis ‘vogel’, lit. erjlis ‘arend’, arm. oror ‘meeuw, kiekendief’, hit. aran- ‘adelaar’. Grondbetekenis van de Oerindo-europese basis wschl. ‘grote vogel’.
TNZN 1, 6, IEW 325-326.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

ARENDEN
Deze imponerende vogels met hun ‘arendsblik’ horen volgens een jachtterm tot de edele roofvogelsoorten. ‘Edele Vogel’ is de betekenis van de Middelhoogduitse benaming Adelare, waarin ara, het Gotische woord voor arend herkenbaar is. De Germaanse grondvormen aran en arnu zijn verwant met het Griekse ornis, dat vogel betekent (vgl. ornithologie). Uit het Duits werd adelaar gevormd, dat tevens een dichterlijke benaming voor een arend was in diens hoedanigheid van koning der vogels. Volgens een overlevering uit de Noorse mythologie is de wind ontstaan door de vlucht van een reusachtige adelaar. Arenden vervullen een hoofdrol in mythologie en symboliek, waarbij ze iets verhevens tot uitdrukking brengen (b.v. als embleem voor een land). In de heraldiek is de adelaar op 40 gemeentewapens afgebeeld (situatie 1960). Hiertoe behoren de wapens van Arnemuiden en Arnhem, al staat het geenszins vast dat ‘Arn’ op aldaar verblijvende arenden doelt.

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Iarn Noordfriese naam voor de Zeearend, op Amrum en Föhr; voor deze soort ook Gûsniarn [De Vries 1928].
ETYMOLOGIE het woord iarn verschilt van germ *arnu- (waarvoor zie sub Arend) door zgn. breking van de aanvangsklinker, een verschijnsel dat in het fries en het oudnoords voorkomt.

Arend Algemene N benaming voor alle grote europese Roofvogels behalve de Gieren. Bij uitbreiding ook voor buiten-europese grote Roofvogels zoals Apenarend Pithecophaga jefferyi, een inmiddels uiterst zeldzaam geworden soort op de Filippijnen. De uitgang -aar (of -aro(n) of -er), die gelijk is aan resp. gevormd is uit het woord voor ‘Arend’, vinden we ook in de namen voor (iets) kleinere Roofvogels, zoals Sperwer en Buizerd ↑ en D Gleitaar ‘Grijze Wouw’, en ook (ws.) in Aalscholver. Zie ook (literair) Adelaar (letterlijk ‘edele arend’).
Gelders/overijssels Aorend, Oand, Eurend ‘mannelijke Duif’ heeft het karakter van een spotnaam, maar wellicht hangt het samen met N (dial.) Hoorn, Duifhoorn ↑ [Weijnen 1996 p.6, 125].
ETYMOLOGIE N Arend arent, na verlenging van het grondwoord met een zogenaamde paragogische -t (vgl. Fazant) Arn, aern, aren (c.1285), ook Haren met hypercorrecte h- [MH 1932] *ara(n) [Schoonheim 2002]; oudsaksisch arn; D Aar (poëtisch voor ‘Arend’) ar, arn arn, naast aro; fries Earn, oostfries Iarnearn; E Erne (archaïsch voor ‘Arend’); schots Erne ‘Zeearend’ ern earn [E Eagle Aigle Aquila]; deens/noors Ørn, zweeds/ijsl Örn örn; gotisch ara; *aran, *arnu; verwant is ws. Gr ὄρνις órnis ‘vogel, Haan, Kip, voorspellende vogel, voorteken’ (vgl. ornit(h)oloog); Klankwet nr.10). Verwante woorden buiten het germaans: R Орёл Orjol (spreek uit: arjól), bulgaars Orel, tsjechisch Orel, pools Orzel >Orzełek ‘Arendje’ >Orlik ‘Schreeuwarend’, servokr. Orao; litouws Erelis (<arelis? [De Vries 1967]), lets Ērglis; welsh Eryr.
Naar zo’n indrukwekkende, krachtige vogel werden (in de germaanse talen) dus ook manspersonen genoemd: Arno (821!) [Schoonheim 2002], Arend, Arnold, Arthur, Aro, Erend, en vervolgens werden vestigingen in het land naar deze personen genoemd: Arnhem, Arwerd, Eenrum (Gr) Iarn); Arum (Fr) (genoemd naar Aro), Erichem (Gld) -(l)ing is een verkleiningssuffix, vgl. Groenling, Veiling, Taling etc.]
Rechtstreekse verwijzing naar de vogel vinden we wellicht in de Drentse plaatsnamen Ten Arlo, Tynaarlo en Taarlo te ‘bij, in’, lo ‘bos’ en Ar en Aar duiden op de vogel (<*arnu ‘arend’) en (mogelijk) in de Belgische plaatsnaam Arendonk, waarin -donk naast ‘hoogte in moerassig gebied’ ook ‘hooggelegen nest’ kan betekenen. [De Vries 1962; BSP 1995]

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Adelaar = edele aar, waarin aar feitelijk reeds arend beteekende. Vermoedelijk was de oudste bet. van aar: vogel; het is een verkorting van aren of arn (Gr. Ornis = vogel) en werd door aanhechting van een d bij ons: arend; het duidde, als den vogel bij uitnemendheid, den koning der vogels aan. Voor den oudsten vorm vgl. ’t Mnl.: „Rechte na des Aers sede, Die sine pride (= prooi) node laet gaen”. Opmerkelijk is het, dat adelaar bij ons het deftige en arend het alledaagsche woord is, terwijl het bij de Duitschers met hun Adler (spr. aadler) en Aar juist andersom is.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

arend ‘roofvogel’ -> Negerhollands arend ‘roofvogel’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

arend* roofvogel 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut