Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

architect - (bouwmeester)

Etymologische (standaard)werken

H. Beelen en N. van der Sijs, ‘Woordsprong’, serie in: Onze Taal 2013-2019

Architectuur, bouwkunde en bouwkunst

Vorige maand ging het hier om onderwijs en brasserie , twee woorden die om een of andere reden nog niet voorkomen op Etymologiebank.nl, de website waarop alle belangrijke etymologische woordenboeken van het Nederlands staan. Een ander nog ontbrekend woord is architectuur.
Architectuur is in 1539 in het Nederlands geïntroduceerd door de Vlaamse schilder en beeldhouwer Pieter Coecke van Aelst, leermeester van Pieter Brueghel de Oude, en uiteindelijk hofschilder van keizer Karel V. Coecke publiceerde in dat jaar 1539 een Nederlandse vertaling van het klassiek-Romeinse werk De architectura (‘Over de architectuur’) van Vitruvius, onder de titel Die inventie der colommen met haren coronementen ende maten (‘De uitvinding van de zuilen met hun kronen en maten’). Vitruvius’ handboek was een compendium van architectonische kennis met veel praktische uitwerkingen, bijvoorbeeld over stadsaanleg, bouwmaterialen en het ontwerpen van tempels en openbare gebouwen. De kennis van de Romeinen leunde zwaar op Griekse voorgangers. Het was dus geen toeval dat de Romeinen een Griekse term gebruikten: de Latijnse benaming architectura is ontleend aan het Oudgriekse arkhitektonia. Dit woord is afgeleid van arkhitektōn (‘bouwmeester, architect’), een samenstelling van arkhi- (‘opper-, eerste’) en tektōn (‘timmerman, scheepsbouwer’). Architectuur werd dus beschouwd als de techniek bij uitstek, als de moeder van alle kunsten. Vandaar dat Coecke zijn vernederlandsing architectuur toelichtte met het synoniem overbouwmeesterij.

Opperregeerder
Ook de term architect introduceerde Coecke in het Nederlands. Daarnaast gebruikte hij de aanduidingen overbouwmeester, timmermeester en bouwmeester. In de Bijbel betekende bouwmeester rond 1600 eveneens ‘architect’. Paulus spreekt in 1 Korintiërs 3:10 in het Grieks van een “sophos arkhitektōn”. In alle oude bijbelvertalingen wordt dit vertaald als “wijs bouwmeester”. God wordt dan ook vaak aangeduid als de goddelijke of hemelse bouwmeester.
Andere verdwenen termen voor ‘architect’ die we tegenkomen in vijftiende-eeuwse bouwrekeningen zijn opperwerkmeester, werkmeester, meesterwerkman en opperregeerder. Niet alleen ontwerpen, ook aansturen en toezicht houden hoorde bij het takenpakket van dit ambachtoverschrijdende beroep, dat niet meer gebonden was aan de traditionele metselaars- en steenhouwersgilden.
Als ‘uomo universale’ beheerste Coecke veel talen. Nadat hij in 1539 al een Nederlandse vertaling had gemaakt van Libri d’architettura (‘Boeken van de architectuur’) van de Italiaan Sebastiano Serlio (1475-1554), onder de titel Boeck van de architecturen, publiceerde hij dat in 1542 ook in het Duits. En daarmee introduceerde hij het woord Architektur bij onze oosterburen. In 1545 vervaardigde hij een Franse vertaling en nog in 1611 verscheen in Londen een Engelse editie op basis van de Nederlandse uitgave. Dankzij Coecke werd het renaissancistische gedachtegoed over architectuur samen met de terminologie vanuit Italië verbreid in heel West-Europa.

Kunsten en kundes
In de zeventiende eeuw probeerde men vreemde woorden te vervangen door Nederlandse equivalenten. In die tijd ging men bouwkunst gebruiken in plaats architectuur, en bouwkunstenaar voor architect. Rond 1700 kwam het woord bouwkunde op. Dit volgde de algemene differentiatie tussen kunst en kunde. In de middeleeuwen hadden zowel conste als conde de betekenissen ‘kennis, bekwaamheid’ en ‘wetenschap’. In samenstellingen gebruikte men const, denk aan wisconst, dat in 1586 werd geïntroduceerd door Simon Stevin.
In de loop van de zeventiende eeuw ging men kunde gebruiken als aanduiding voor een theoretische wetenschap – denk aan wiskunde. Dat was onder invloed van de Duitse wetenschapstaal, waarin bijvoorbeeld gesproken wordt van Sternkunde (‘sterrenkunde’) en Erdkunde (‘aardrijkskunde’). In de achttiende eeuw leefden kunst en kunde naast elkaar voort, maar uiteindelijk werd kunst de specifieke naam voor een praktische bekwaamheid of vakpraktijk: vergelijk schrijfkunst, dichtkunst en naaldkunst.
Zo kregen ook de woorden bouwkunst en bouwkunde verschillende betekenissen. In bouwkunst ligt de nadruk op artistieke vaardigheden, terwijl bouwkunde de theoretische wetenschap aangeeft. Daarom wordt aan de Technische Universiteit in Delft al sinds de oprichting in 1842 bouwkunde gedoceerd, geen bouwkunst.
[Hans Beelen en Nicoline van der Sijs (2017), ‘Architectuur, bouwkunde en bouwkunst’, in: Onze Taal 9.]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

architect zn. ‘bouwmeester’
Vnnl. architect [1553; Werve], in de 17e eeuw ook wel architec gespeld (zoals ook Frans dialectisch architeque).
Al dan niet via Frans architecte en Latijn architectus ‘bouwmeester, architect’ ontleend aan Grieks arkhitéktōn ‘id.’, gevormd uit arkhi- ‘opper-, eerste’ (zie → aarts-) en téktōn ‘timmerman, scheepsbouwer’, met dezelfde wortel als in → techniek, en Indo-Europees verwant met Latijn texere ‘weven’, zie → tekst.

EWN: architect zn. ‘bouwmeester’ (1553)
ANTEDATERING: eerst: architecteur 'bouwmeester' [1500; iWNT facciate]
Later: Architect 'id.' [1549; iWNT uithangen] (EWN: 1553)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

architect [bouwmeester] {1553} < frans architecte < latijn architectus [bouwmeester, ontwerper] < grieks architektōn [bouwmeester], van archi- [voornaamste] + tektōn [timmerman, handwerksman, kunstenaar], verwant met technè [techniek, kunst, kunde].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

arsjitek (zn.) bouwmeester; Nuinederlands architect <1553> < Frans architecte.

F. Debrabandere (2010), Brabants etymologisch woordenboek: de herkomst van de woordenschat van Antwerpen, Brussel, Noord-Brabant en Vlaams-Brabant, Zwolle

architect, zn.: Brussels scheldwoord, bv.: smerigen architect, scheven architect. De pejoratieve betekenis van het woord zou teruggaan tot de bouw van het Brusselse Justitiepaleis (1866-83) door de Brusselse architect Jozef Poelaert (1817-79), waarvoor talrijke huizen in de Marollenwijk afgebroken werden (Quiévreux). Voor de bewoners van de Marollen was een architect voortaan een smeerlap. Maar het woord architect heeft ook wel elders een ongunstige betekenis. In Amsterdam (1900) was het een ‘bemoeial, intrigant’ (WNT). In Kaatsheuvel (NB) is een herketek een ‘heerszuchtig persoon’, in Tilburg is een erketek een ‘bazige vrouw’ en in het Zeeuws is een erketekt een ‘bazige man’ of een ‘kwaadspreekster’.

aristek, zn.: bouwmeester. Door metathesis uit arsitek < Fr. architecte.

astek, astik, zn.: fat, modegek. Misschien dial. uitspraak van architect? Claeys denkt aan Fr. astiquer ‘boenen, doen glanzen, poetsen’.

erketek(s), zn.: architect. Zie architect.

erketet, erteketet, zn.: bazige vrouw. Uit architect (zie i.v.).

herketek, herkentiek, harketrieker, zn.: lastige, snibbige vrouw; raar persoon. Met hypercorrecte h voor erketek; zie architect.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

argitek s.nw.
1. Ontwerper van geboue en bestuurder van die uitvoering van die ontwerpe. 2. (fig.) Beplanner, uitvoerder, skepper.
Uit Ndl. architect (1553). Eerste optekening in vroeë Afr. in bet. 1 op 17 Januarie 1719 in die aanhaling "den architekt verdienende per mt. 18 rijxdd" (Resolusies van die Politieke Raad, C.48).
Ndl. architect uit Fr. architecte uit Latyn architectus 'boumeester, ontwerper' uit Grieks architekton 'boumeester', gevorm van archi- 'vernaamste' en tekton 'vakman, handwerkman, kunstenaar', met lg. verwant aan techne 'tegniek, kuns, kunde'.

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

arsitek, arsestek, assitek zn. m.: architect. Fr. architecte. Assitek door ass. rs > ss. Zie ook aarketek.

aarketek, arkestek, erketek(t), erreketek zn. m.: architect; haantje de voorste, bazige man; (gezegd van een vrouw) erreketek: kwaadspreekster. Zeeuws 1928 erketekt ‘haantje de voorste’ (WNT). Fr. architecte < Lat. architectus < Gr. arkhitektôn, dat bestaat uit arkhi- ‘opper’ en téktôn ‘timmerman’. Vreemd is wel de Zeeuwse k-uitspraak van de ch; misschien is er contaminatie met akkertisse, ekketisse, dat ook ‘haantje de voorste’ betekent.

F. Debrabandere (2005), Oost-Vlaams en Zeeuws-Vlaams etymologisch woordenboek: de herkomst van de Oost- en Zeeuws-Vlaamse woorden, Amsterdam

ajusteek (E), zn. m.: architect. Dat Franse woord wordt in verschillende dialecten verhaspeld, vgl. Kortrijks azzedek.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

architect (Frans architecte)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

architect ‘bouwmeester’ -> Russisch architéktor, ouder: architékt ‘bouwmeester’; Oekraïens architéktor ‘bouwmeester’ ; Azeri arxitektor ‘bouwmeester’ ; Indonesisch arsiték ‘bouwmeester’; Javaans arsitèg ‘bouwmeester’; Menadonees arsitèk ‘bouwmeester’; Papiaments arshitèkt (ouder: architect) ‘bouwmeester’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

architect bouwmeester 1553 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut