Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

arceren - (lijnen naast elkaar trekken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

arceren ww. ‘lijnen naast elkaar trekken’
Vnnl. asseringen (mv.) ‘voortbrengsel van het arceren’ [1546; WNT Supp. arceering], artseren ‘arceren’ [1604; WNT Supp.], arzeering [1691; WNT]; nnl. arceeren “met het steekyzer, de pen, 't potloot kruyswyze trekken halen om schaduw in de plaaten of teekeningen te maaken” [1728; Marin hacher]. Het woordpaar arceren/arcering is in deze opsomming samengenomen om de ontwikkeling van de beginklank te kunnen illustreren.
Ontleend aan Middelfrans hacher ‘arceren door te graveren’ [1376; Rey], meer specifiek aan de Picardische (Noord-Franse) variant daarvan, daar in dat dialect de ch nog zeer lang als affricaat /č/ werd uitgesproken, wat de frequente 17e-eeuwse Nederlandse vorm met ts verklaart. In de Franse standaardtaal heeft de overgang /č/ > /š/ al in de 13e eeuw plaatsgevonden. De betekenis van het Picardisch-Franse woord is een overdrachtelijke (die in het Nieuwfrans is overgegaan op hachurer) van ouder ‘in stukjes snijden’. Hacher is een Germaans leenwoord, waarvoor zie → hachee.
De -r-, die al vroeg in de Nederlandse vormen verschijnt, is een epenthetische r zoals die wel vaker voorkomt in een voortonige lettergreep, bijv. in → scharminkel voor siminkel < Latijn sīmiuncula ‘aapje’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

arceren [lijnen trekken] {artseren 1604} < frans hacher [fijnhakken, inkerven, arceren], van hache [bijl], dat uit het germ. stamt, verwant met heep; voor de invoeging van r vgl. korporaal.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

arceren, harceren ww., is overgenomen uit fra. hacher, met invoeging van r zoals ook in karpoets, korporaal.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

arceeren o.w., uit Fr. hâcher = hakken, snijden (z. hacht).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

arceren (Frans hacher)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

arceren ‘lijnen trekken in tekening’ -> Indonesisch (meng)arsir ‘lijnen trekken in tekening’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

arceren lijnen trekken 1604 [WNT Suppl] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut