Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

arbeid - (werk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

arbeid zn. ‘werk’
Onl. aruit(h) ‘moeite, nood, inspanning’ naast arbeit, -d, -th [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. arbeit ‘werk’ [1200; CG II, Servas], [1240; Bern.].
Algemeen Germaans woord, dat in het Nederlands klankwettig een -rv- zou moeten hebben (zoals bijv. in → derven en → erf < erve). In de Wachtendonckse Psalmen komt zo'n vorm inderdaad nog voor, naast vormen met -rb-. Wrsch. moet dus gedacht worden aan overname uit het Hoogduits.
Os. arƀēd, arƀid, arƀēdi (mnd. arbet); ohd. ar(a)beit, ar(a)beitī (nhd. Arbeit); ofri. arbēd (nfri. arbeid); oe. earfoþe, erfeþe; on. erfiði; got. arbaiþs; < pgm. *arbējidi- ‘zwaar werk, moeite’, verbaalabstractum bij een werkwoord *arbe-jo- ‘tot hard werken genoopt worden’.
Buiten het Germaans mogelijk verwant met Armeens arbaneak ‘dienaar’ en Slavisch *orbh- in Oudkerkslavisch rabŭ, robŭ ‘dienaar, slaaf’, rabota ‘slavernij’, zie ook → robot.
arbeider zn. ‘werkman’. Mnl. arbeiders (mv.) [1285; CG I, 1021]. Nomen agentis bij het werkwoord arbeiden ‘zich inspannen’ [1240; Bern.], ‘werken’ [1276-1300; CG II, Lut.A], dat is afgeleid van het zn. arbeid.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

arbeid* [inspanning] {oudnederlands arbeit 901-1000, middelnederlands a(e)rbeit} oudsaksisch arbed, oudhoogduits ar(a)beit, oudfries arbe(i)d, oudengels earfoð, oudnoors erfiði, gotisch arbaiþs; buiten het germ. vermoedelijk armeens arbaneak [dienaar], oudkerkslavisch rabŭ [slaaf], rabota [slavernij], russisch rabota [arbeid], tsjechisch robota [herendienst] (vgl. robot).

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

arbeid

Van oudsher heeft het woord arbeid twee betekenissen gehad. Men verstond er vroeger vooral onder: de pijn, de kwelling die iemand werd aangedaan, de nood waarin hij verkeerde. In het bijzonder werd arbeid gebezigd voor: barensnood en in het Middelnederlands kwam het dikwijls voor in combinatie met woorden als: rouw, pijn, leed. Het is vooral aan Luther te danken dat de tweede ook reeds bestaande betekenis: de krachtsinspanning die men aanwendt om een doel te bereiken, meer op de voorgrond is gekomen.

Misschien is arbeid verwant met het Duitse Erbe, Grieks orphanos: wees en is de oudste betekenis van het werkwoord arbeiden: ik ben een wees en moet dus hard werken.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

arbeid znw. m., mnl. arbeit m. v. ‘arbeid, inspanning, moeite, leed, baringsnood’, onfrank. arbeit m. v. arvith o. ‘werk, leed’, os. arƀed, arƀid v., arƀedi, arƀidi, arƀithi o. ohd. arabeit, arbeit v., oe. earfoð, earfeðe o., ofri. arbeid, arbed o., on. erfiði o., got. arbaiþs m. ‘arbeid, moeite, leed’.

De etymologie staat niet vast. 1. gewoonlijk verklaard uit een intrans. ww. *arbe-i̭ō ‘ik ben een verweesd, en daardoor tot harde arbeid gedwongen kind’, dat men dan vergelijkt met osl. rabota ‘harde arbeid’, rabŭ, robŭ (< *arbhos, orbhos) ‘knecht’, arm. arbaneak ‘dienaar’, lit. arbonas ‘os.’ (C. C. Uhlenbeck, PBB 16, 1892, 562); de verbinding van het 2de lid met een woord dat aan on. v. ‘arbeid’ beantwoordt (dit eveneens van omstreden herkomst, zie AEW 282), maakt de verklaring niet sterker (ondanks v. Haeringen Suppl. 7). — 2. Nog minder aantrekkelijk de verbinding met on. arfr ‘os’, vgl. oe. ierfe, arf ‘vee’ en lit. arbonas ‘os.’ (indien niet leenwoord uit het germ.); dan dus eig. ‘arbeid van een os’ (Meringer, IF 17, 1905, 128). — Bij lit. darbas ‘arbeid’, met afwerping van de anlaut door taboeëring (Kronasser, Handbuch der Semasiologie 1952, 170); maar wat zou de aanleiding tot taboe in dit geval geweest zijn? — Zie verder nog Feist, Got. Wb. 55). — De b van het nl. woord wil W. de Vries Ts. 33, 1914, 145-146 verklaren door associatie met het ww. *baiðian ‘dwingen’, herinnerend aan de slavenarbeid, die daarvoor vroeger werd gebruikt.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

arbeid znw., mnl. arbeit (d) m. v. “arbeid, inspanning, moeite, leed, barensnood”. = onfr. arbeit m. v. (d, th), arvith o. “labor, tribulatio”, ohd. ar(a)beit v. (nhd. arbeit v.), os. arƀed, -id v., arƀedi, -idi, -ithi o., ofri. arbe(i)d o., ags. earfoð, earfeðe o., on. erfiði o. (vgl. ’t bnw. ags. earfeðe, on. erfiðr “bezwaarlijk”), got. arbaiþs v. “arbeid, last, leed”. Voor de vooral in het Onfr. opvallende b- ƀ-wisseling vgl. bij barmhartig. Hierbij buiten ’t Germ. obg. rabŭ “slaaf, knecht”, rabota “slavernij”, lit. ap-si-ůbti “het huiselijk werk verrichten”, arm. arbaneak “dienaar, helper” (minder wsch. is de bij erf vermelde combinatie van rabŭ.) Deze idg. wortel orěbh-: erěbh- kan een afl. zijn van de bij ernst besproken basis. Wsch. is arbeid een verbaalnomen bij een werkw.-stam *arƀai- (got, * arban, *arbaida), anderen hebben er — niet aannemelijk — een samenstelling in gezocht van *arƀa- en *iði- “gang, het gaan”, idg. *iti-, verbaalnomen bij lat. eo, gr. eīmi, lit. eimì “ik ga”, oi. éti “hij gaat”, waarbij o.a. ook nog: ier. eth(a)e “itum est”, obg. idą “ik ga”.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

arbeid. De verklaring van het woord als samenst. met *arƀa- (< idg. *orbho-, zie erf) wordt wat minder zwevend, wanneer men het tweede deel in eerste instantie verbindt met on. îð v. ‘arbeid’ (dat op zijn beurt dan eventueel met lat. eo, gr. eími enz. verwant kan zijn). De oorspr. bet. zou dan zijn ‘slavenwerk’. Intussen blijft de verklaring als verbaalnomen bij een got. *arban, *arbaida de aannemelijkste.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

arbeid m., Mnl. arbeit, aerbeit, arebeit, Onfra. arbeit, arvith, Os. arbêd, arƀêd, arƀêdi + Ohd. arabeit (Mhd. en Nhd. arbeit), Ags. earfod, Ofri. arbed, On. erfidi. Go. arbaiþs + Arm. arbaneak = dienaar, Osl. en Ru. rabota, Po. en Boh. robota = heerendienst, Obulg. rabŭ, Osl. en Ru. rab, Boh. rob = knecht; geen verband met Lat. labor = werk, robur = kracht, noch rabies = woede. De Ndl. en Fri. b i.p.v. v is waarschijnlijk aan Hgd. invloed te wijten.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

arbeid ‘letterkundig of wetenschappelijk werk’ (Duits Arbeit)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Arbeid, bestaat uit twee leden, die bij ons arb en eid zijn geworden, ’t Eerste lid bet. knecht, lijfeigene (zooals uit andere talen blijkt) en het tweede lid is: daad, werk. Alzoo is arbeid het werk van een lijfeigene, dus zwaar werk. De Germanen lieten n.l. het werk aan de slaven over; vandaar dat arbeid vroeger ook: moeite, leed bet.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

arbeid ‘inspanning; werk’ -> Fries arbeid ‘inspanning; werk’; Deens arbejde ‘inspanning’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors arbeid(e) ‘inspanning; werk’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds arbete ‘vast werk waarmee voorzien wordt in levensonderhoud’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

arbeid* inspanning 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2051. Een Sisyphusarbeid,

d.i. een zware arbeid, die nooit tot een einde komt en vruchtelooze inspanning vereischt. Sisyphus was door Zeus veroordeeld om een zeer groot rotsblok tegen een berg op te wentelen, doch zoodra hij bijna den top had bereikt, rolde het blok naar beneden, zoodat hij telkens op nieuw moest beginnen. Vgl. het lat. saxum vorsare (Otto, 310); fr. un travail de Sisyphe; hd. eine Sisyphusarbeit; eng. a Sisyphean task, - labour.

108. Na gedanen arbeid is 't goed rusten.

Een minder juiste vertaling van het lat. jucundi acti labores, dat Cicero gebruikt in de Finibus II, 32 met de toevoeging evenwel dat Euripides zegt: suavis laborum est praeteritorum memoriaVgl. Euripides, Andromeda fr. 133 N: ‘Αλλ’ ηδυ τοι σωθεντα μεμνησθαι πονων., de gedachte aan doorstane moeite is aangenaam (vgl. Seneca, Herc. fur 656: quae fuit durum pati, meminisse dulce est). Vgl. Servilius, 189*: Op gedaen werck ist goet rusten; Sart. II, 4, 17; Erasmus, Coll. 157 a: Jae voor waer op 't ghedaen werck is goed rusten; Hooft, Warenar, 1312: Op edaen werck is goed rusten; Korenbl. II, 6; 480; Tuinman I, 373; Harreb. II, 454 b. In het hd. nach getaner Arbeit ist gut ruhen; fr. la peine surmontée est le sel du plaisir; eng. after the work is done repose is sweet.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut