Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ar - (slee)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

arrenslee zn. ‘sierlijke slee, getrokken door paarden’
Vnnl. narrenslee [1617; WNT narreslede]; nnl. arreslede [1740; WNT]. In verkorte vorm nar [1615; WNT nar II], ar [1832; WNT].
Samenstelling uit → nar en → sle(d)e. Door verkeerde woordscheiding van 'n narreslee (met onbepaald lidwoord) kon dit in de spreektaal arreslee worden (zoals ook gebeurd is in bijv.aak 1, → adder, → aveelzaad, → avegaar, → okkernoot). In de schrijftaal bleef de vorm met n- nog tot in de 19e eeuw zeer gebruikelijk.
Het tuig van de paarden voor de ar was rijkelijk voorzien van bellen en riep de gedachte op aan een narrenpak.

EWN: arrenslee zn. 'sierlijke slee, getrokken door paarden'; de vorm arre(n)slee (1832)
ANTEDATERING: Arreslee [1727; Leydse courant 4/8]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ar1 [slee] {1832} verkort uit arrenslee; het eerste lid is ar < nar, evenals bv. adder < nadder, zo genoemd naar het ‘narren’-tuig met belletjes van het paard. In de 17e eeuw kwam narrenslede nog voor.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ar 1 znw. v., verkorting uit arreslee, dat ontstaan is uit narreslee (waarvoor zie: adder). De slee werd zo genoemd naar het narrentuig van de paarden en het voertuig. — Zie verder: nar.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ar I znw. Verkort uit arreslee (eerst nnl.), dat uit narreslee ontstaan is (vgl. aak I, adder). Deze vorm komt dial. (Goeree) nog voor. Zie nar. De arreslee is zoo genoemd naar het narrentuig van paarden, voertuig en personen. — arren ww. Afl. van ar I; evenmin als oud-nnl. narren “arren” bij Kil.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ar 2 v., uit arreslee: z.d.w.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ar door paarden over sneeuw voortgetrokken slee 1832 [WNT Suppl]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut