Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

april - (maand)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

april zn. ‘vierde maand van het jaar’
Mnl. april [1240; Bern.].
Ontleend aan de Latijnse maandnaam aprīlis, een gesubstantiveerd bn. uit aprīlis mēnsis ‘aprilmaand’. De verdere herkomst is onzeker; wrsch. is het ontleend aan het Etruskisch, dat het misschien weer uit het Grieks heeft, waarin het zou teruggaan op de naam Aphrō als verkorting van Aphrodítē ‘Aphrodite, Griekse godin van de liefde’.
De Latijnse maandnaam verdrong de gebruikelijke Germaanse vormen, zoals onl. ostermanoth, letterlijk ‘paasmaand’ [midden 11e eeuw; CG II, 13]; vanaf het Middelnederlands komt ook grasmaent voor.
Lit.: H. Hogerheijde (1984) ‘April’ in: E. Croonenberg e.a. Wat een taal. De dagen, Amsterdam, 37

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

april [vierde maand] {1201-1250} < latijn (mensis) Aprilis, (mensis [maand]); etymologie onzeker, reeds in de Oudheid in verband gebracht met aperire [openen], ter aanduiding van de in de lente ontluikende natuur; veeleer teruggaand op grieks Aphrō, verkort uit Aphroditè (vgl. Afroditisch).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

April znw. m., mnl. april, aprille, aprel < lat. Aprīlis. De lat. benaming heeft het germ. woord ohd. ōstarmānōd, oudnl. Oostermaand verdrongen; ook grasmaand is een naam, die buiten gebruik geraakt is.

De Aprilgrap, ook in Duitsland, Frankrijk en Engeland bekend, is eerst sedert de 17de eeuw overgeleverd, zie daarvoor Bächtold-Stäubli, Hwb. des d. Aberglaubens 1, 556-653).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

april znw., mnl. april(le), apriël, aprel m. Uit lat. Aprîlis; evenzoo in andere talen, bijv. mhd. aprille, aberëlle m.(nhd. April). De ndl. naam is grasmaand. Kil. vermeldt ook Oostermaend (“Sax.”) = chd. ôstarmânôt m. “Paaschmaand”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

April 2 m. (maand), Mnl. april, gelijk Ohd. aprilio (Mhd. abrille, Nhd. april). Eng. april, Fr. avril, uit Lat. aprilis, wellicht voor aperilis = de maand waarin alles opengaat, van aperire = opendoen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

April s.nw.
Vierde maand van die jaar.
Uit Ndl. April (al Mnl.). Eerste optekening in vroeë Afr. op 8 April 1652 in die aanhaling "Maendagh den 8 April anno 1652" (Resolusies van die Politieke Raad, C.1).
Ndl. April uit Latyn (mensis) Aprilis, met mensis wat 'maand' beteken en Aprilis mntl. uit Grieks Aphro, 'n verkorting van Aphrodite. 'n Ander verklaring wat reeds in die Oudheid ontstaan het, bring die maandnaam in verband met aperire 'open', so genoem om te verwys na die natuur se ontluiking in die lente.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

april (Latijn (mensis) Aprilis)

T. Pluim (1922), Wetenswaardig allerlei: bijdragen tot algemeene kennis voor studeerenden bijeenverzameld door T. Pluim, Groningen

April (Lat. aprilis, van aperire = openen). Vroeger “opende” de maand April het jaar en de aarde opent zich, als het ware, voor het opnemen der zonnestralen, die haar moeten verwarmen.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

april ‘vierde maand’ -> Indonesisch April ‘vierde maand’; Madoerees aprīl ‘vierde maand’; Makassaars aparîlí, parîlí ‘vierde maand’; Minangkabaus april ‘vierde maand’; Singalees aprēl, apriyel ‘vierde maand’; Negerhollands apriel ‘vierde maand’; Papiaments aprel ‘vierde maand’; Sranantongo aprel ‘vierde maand’; Sarnami april ‘vierde maand’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

april vierde maand 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

107. Op den eersten April verloor Alva zijn bril,

d.w.z. op den eersten April (1572) verloor Alva de stad Den Briel. Dit rijmpje verving reeds vroeg een ouder gezegde: de Hertog krijget een Bril op die Neuse, alwaar onder bril moet worden verstaan een dwangmiddel, een pen; Alva's macht werd door de inneming van den BrielDeze stad werd ook buiten woordspel wel Den Bril genoemd. gebreideld, gefnuikt. Zeer spoedig daarna moet dit gezegde vervangen zijn door het bekende rijmpje, dat Bor, Ned. Oorl. 6, 266 a reeds vermeldt: Men hoorde vast onder de Borgheren hier ende daar tot sijn (Alva's) spot aldus rijmen: Den eersten dach van April verloos Duc d' Alva sijnen Bril. Het Ndl. Wdb. III, 1382, waaraan dit alles is ontleend, voegt hierbij: ‘weliswaar drukte het niet zoo krachtig als het vorige uit dat Alva's macht door die verovering gefnuikt was; doch het beval zich daarentegen, behalve door het rijm en door toespeling op den 1sten April, den van ouds bekenden gekkendag, bovenal ook hierdoor aan, dat het verliezen van een bril voor de meesten eene duidelijker woordspeling bevatte dan het op den neus krijgen er van (vooral toen later een bril op den neus krijgen niet overal meer gangbaar was): immers Alva had dien dag Den Briel verloren, niet gekregen’.Zie Tijdschrift XI, 25-31; XVI, 70-71; XXXI, 43-44; XXXV, 70.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut