Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

appelsien - (sinaasappel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

appelsien zn. (BN) ‘sinaasappel’
Vnnl. Appel Sina [1676; Sanders 1995], appelen Chinaas (mv.) [1684; WNT chinaasappel], nnl. appelsienen (mv) [1868; WNT appelsina].
Genoemd naar het land van herkomst: China (in de oudere vorm Sina, zoals in sinologie). Voor de vorming zijn bijv. nootmuskaat, appelgranat [1240; Bern.], appelen van oraignen (in plaats van resp. muskaatnoot, granaatappel en oranjeappel) te vergelijken. Eveneens door woordmetathese is dan ook de vorm → sinaasappel ontstaan (Stroop).
De appelsien of sinaasappel komt uit Zuid-China, werd in de 16e eeuw door de Portugezen naar Europa gebracht en werd algauw populairder dan de al veel langer bekende bittere sinaasappel of → pomerans, destijds oranjeappel (zie → oranje) genoemd (appel van aranyen [1477; Teuth.], Araengie appel [1554; Dodonaeus], araenieappel [1567; Nomenclator]). De nieuwe vrucht werd in het begin nog overal anders genoemd. Uiteindelijk zijn sinaasappel en BN appelsien beklijfd. Via Amsterdam werd vanaf de 18e eeuw de vrucht en daarmee haar Nederlandse naam verspreid over Noord-Europa: o.a. Duits Apfelsine, Zweeds apelsin, Russisch apel'sin. Maar in bijv. het Frans en Engels is de oude naam orange overgegaan op de nieuwe vrucht.
Lit.: ‘Oranje, appelsien en lemoen’ in Grauls 1957; Sanders 1995; H. Hogerheijde (1979) ‘Onderzoek naar regionale namen van citrusvruchten’, in: TT XXXI, 24-40; J. Stroop (1995) ‘Woordmetathesis’, in: TT XLVII, 205-219, hier 212

EWN: appelsien zn. (BN) 'sinaasappel' (1676)
ANTEDATERING: 2 Boomen van Appel China [1669; Oprechte Haerlemse courant (KB) 24/9]
Later: zoodat men ... te Luik appelsienen at [1846; Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant (KB) 10/3] (EWN: 1868)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

appelsien [zuidvrucht] {appel sina 1676, appelsina 1685} hetzelfde woord als sinaasappel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

appelsien v., naar het Ofra. pomme de Sine, d.i. p. d. Chine = appel uit China, daar de boom uit het zuiden van Azië herkomstig is. De Vla. vorm appelsene of seenappel wijst echter niet op China, maar op Messina in Siciliën, van waar de beste in den handel komen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

appeleseen (zn.) sinaasappel; Nuinederlands appel Sina <1676>.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

appelsien (vert. van Frans pomme de Sine)

E. Sanders (1995), Geoniemenwoordenboek, Amsterdam

sinaasappel (1676, uit het Frans) bekende zuidvrucht met oranje schil

De geschiedenis van de sinaasappel is nooit uitputtend beschreven. Er bestaan wel verschillende boeken over citrusvruchten in het algemeen, maar een doorwrochte monografie over de sinaasappel in historisch, sociaal-cultureel en pomologisch perspectief — helaas, we kunnen er slechts naar uitzien. Terwijl er toch zulke boeiende hoofdstukken te verwachten zouden zijn. Zoals: De sinaasappel als luxe-artikel, De sinaasappel als volksfruit, De oranjerie, Sinaasappels als grondstof voor parfum, marmelade en likeur, ‘Jongens van de sinaasappelkleur’: de sinaasappel als verzetssymbool in de Tweede Wereldoorlog, De uitvinding van de navel, De sinaasappelhuid, Kwiksinaasappels als politiek pressiemiddel, enzovoorts.
Ook een hoofdstuk over de herkomst van het woord zou niet mogen ontbreken. Dit laat zich in één zin samenvatten: de sinaasappel is naar China genoemd, het land van herkomst. Maar om tot deze conclusie te komen is er in de afgelopen 150 jaar onder taalkundigen heel wat afgekibbeld.
Het begon met de zure of bittere sinaasappel. Die werd omstreeks de 9de eeuw door de Arabieren meegenomen uit India. De Indiërs noemden de vrucht nâranga. Dit betekent ‘welriekende geur’ en ‘binnenste’.
Tegen de 12de eeuw werd de bittere sinaasappel op grote schaal gekweekt in onder andere Afrika, Spanje en ook Palestina. Daar ontdekten de kruisvaarders de vrucht. Ze vonden hem zo lekker dat ze hem meenamen naar huis, zoals zij ook deden met gaas (z.a.), de provincieroos (z.a.) en een hoop andere spullen. Met de sinaasappel waaierde de Indische naam nâranga vervolgens uit over Europa. In veel talen werd de begin-n weggelaten, omdat die werd ervaren als het restant van een lidwoord. In Frankrijk sprak men na verloop van tijd van orange, volgens sommigen naar de goudgele kleur (or) van de vrucht, volgens anderen onder invloed van de naam van de stad Orange, waar druk in bittere sinaasappels werd gehandeld.
In Nederland sprak men aanvankelijk van appelen van arancen, later — in navolging van het Frans — van oranje(appels).
Omstreeks 1548 stuurden Portugese missionarissen vanuit het zuiden van China zaden naar Europa van een heel andere sinaasappel, namelijk de zoete variant. Deze zaden groeiden uit tot de Europese oerboom die in de 19de eeuw nog te zien zou zijn geweest in de tuin van graaf St. Laurent in Lissabon.
Na Portugal veroverde de zoete sinaasappel Italië en van daaruit in razend tempo de rest van Europa. Er waren nu twee sinaasappels op de markt: een bittere en een zoete. Hoe moest je de nieuwe van de oude onderscheiden? Door er de naam van het land van herkomst aan vast te plakken. Zo zijn bij ons onder meer de volgende benamingen aangetroffen: Appel Sina of Lisbonse Oranje Appel (1676), Chinas-appelen (1682), appelen Chinaas (1685), Appel-Sina (1692) en Sinaas-Appelen (1693).
Ondertussen beleefde de vrucht een kleine maatschappelijke revolutie. In het begin was de zoete sinaasappel namelijk voorbehouden aan de happy few. Men at de vrucht slechts bij feestelijke gelegenheden of bij ziekte. Maar al snel werden enorme hoeveelheden sinaasappels vanuit Zuid-Europa naar Amsterdam verscheept en reeds in 1682 beklaagde de Utrechtse schoolmeester Simon de Vries zich erover dat de sinaasappel zelfs de tanden van dienstmaagden ‘te bezuren’ had.
Als de herkomst van het woord sinaasappel zo duidelijk is, waar hebben de taalkundigen dan over gekibbeld? Voornamelijk over de volksnaam appelsien, die in de 18de eeuw ontstond. Men meende dat die verwees naar de Siciliaanse havenstad Messina, waar tot in de 19de eeuw de sappigste sinaasappels vandaan kwamen. Deze theorie heeft vooraanstaande aanhangers gehad, laatstelijk in 1965, maar wegens gebrek aan bewijs heeft men haar inmiddels verlaten.
Overigens had het woord appelsien internationaal succes. In de 18de en de 19de eeuw voorzag Amsterdam (samen met Hamburg) een groot deel van Noord-Europa van sinaasappels. Het woord appelsien reisde mee, en veroverde zich een plaatsje in onder meer het Duits, Deens, Zweeds en zelfs in het Russisch (namelijk als apel'sin). Ook dit laatste wapenfeit zou een plaatsje verdienen in een monografie over de sinaasappel.

Engels orange (14de eeuw orenge, 17de eeuw China orange); Duits Apfelsine (begin 18de eeuw o.a. Apel de Sina, Appelsina, Chinaapfel); Frans orange (1200 pume orenge, ±1700 pomme de Sine).

SINAASAPPEL: Nieuwenhuis Aanhangsel 4 (1838) 756; WNT II1 (1898) 566; TNTL 28 (1909) 206; Franck & Wijk Etym. wdb. (19122) 609; WNT III2 (1916) 2012-2013; Vercoullie Etym. wdb. (19253) 14 ; J. Grauls, ‘Oranje, appelsien en lemoen’, in: Isidoor Teirlinck Album (1931); Haeringen Suppl. etym. wdb. (1936) 151; WNT XIV (1936) 1366-1367; TNTL 62 (1942) 215-216; WNT Suppl. I (1956) 1412; F. Debrabandere ‘Kortrijks Gijnappel contra Sijnappel’, in: Biekorf 66 (1965) 409-411; Vries Ned. etym. wdb. (1971) 641; H. Hogerheijde, ‘Onderzoek naar regionale namen van citrusvruchten’, in: Taal en Tongval 31 (1979) 24-40.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

appelsien ‘sinaasappel’ -> Duits Apfelsine ‘sinaasappel’; Deens appelsin ‘sinaasappel’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors appelsin ‘sinaasappel’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds appelsin ‘sinaasappel’ (uit Nederlands of Nederduits); Fins appelsiini ‘sinaasappel’ ; Russisch apel'sín ‘sinaasappel; (Bargoens) handgranaat’; Oekraïens apel'sín ‘sinaasappel’ ; Wit-Russisch apel'sín ‘sinaasappel’ ; Litouws apelsinas ‘sinaasappel’; Negerhollands aposin, apelsina ‘sinaasappel’; Papiaments apelsina, apusina (ouder: appelsina) ‘sinaasappel’; Sranantongo apresina, apersina ‘sinaasappel’; Saramakkaans apeesína ‘zuidvrucht’ ; Arowaks apresjina ‘sinaasappel’ ; Karaïbisch apelisina ‘sinaasappel’ ; Tiriyó aperisina ‘zuidvrucht’; Sarnami parsina ‘zuidvrucht’ ; Surinaams-Javaans jeruk prasinah ‘sinaasappel’ ; Creools-Engels (Maagdeneilanden) † apelsina ‘sinaasappel’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

appelsien zuidvrucht 1676 [Sanders 1995]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut