appelflauwte (licht gevoel van flauwte)
M. Philippa e.a. (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands
appelflauwte zn. ‘licht gevoel van flauwte’ Vnnl. appel-floute [1646; WNT]. In verband met dit woord wordt wel de uitspraak van Dodonaeus uit 1608 geciteerd: “Alle appelen zijn goet den genen (‘voor degenen’) die haest in onmacht vallen oft flaeuw van herten zijn”, waarmee gesuggereerd wordt dat deze flauwte door het eten van een appel zou verdwijnen. Vercoullie verklaart het woord als een volksetymologische vervorming van apoplexie ‘beroerte, hersenbloeding’ < Grieks apoplḗxia, bij het werkwoord apoplḗssein ‘door een flauwte treffen’, gevormd uit → apo- ‘weg-, af-’ en plḗssein ‘slaan’, en vergelijkt het met het Engelse volkstaalwoord appleplexie.
N. van der Sijs (2001), Chronologisch Woordenboek
appelflauwte lichte flauwte 1646 [WNT]
P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Van Dale Etymologisch woordenboek
appelflauwte [lichte flauwte] {1646} een zo geringe bezwijming dat men eruit bijkomt door het eten van een appel, vgl. Dodonaeus (1517 of 1518-1585) 1328b: Alle appelen zijn goet dengenen die haest in onmacht vallen oft flaeuw van herten zijn.
J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal
appelflauwte v., is eene volksetymologische vervorming van apoplexie; vergel. in Eng. volkstaal appleplexie.
F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden
104. Een appelflauwte krijgen,d.w.z. in een lichte bezwijming vallen, et apezoer kriege (MaastrichtN. Taalgids, XIV, 195.). Men wil hiermede zeggen, dat de flauwte zoo weinig te beduiden heeft, dat men door het eten van een zuren appel weer kan bekomen. Vgl. Dodonaeus 1328 b: ‘Alle appelen zijn goet den genen die haest in onmacht vallen oft flaeuw van herten zijn’. Steun vindt deze verklaring in de uitdr. een mosterdstuip, een stuip, die door wat mosterd te genezen is; in C. Wildschut 4, 198: naar den barbiershemel gaan, gaan naar den hemel, waaruit een barbier iemand weer op aarde kan terugbrengen; Ndl. Wdb. II1, 1011; fri. yn 'e brebiershimel komme. De uitdrukking komt bij Poirters, Mask. 262 voor: Niet dat ick iet schroomelijcks voorstelle, oft met doots-hoofden wil aen-comen: dat zijn dinghen om die bevreesde ende teere wereltsche Joffertjens in een appelfloute te doen vallen’; Halma, 34: Appelflaauwte, pamoison, mal de coeur; Sewel, 50: Appelflauwte, a swoon, or fainting-fit. In Zuid-Nederland is de uitdr. even bekend als bij ons. De Bo, 55 citeert: Appelflauwte, een lichte, voorbijgaande flauwte, waarbij - zoo men zegt - water over 't herte draait, zoodat men bleek wordt en onpasselijk is, maar zonder in volle onmacht of bezwijming te vallen. Zie ook Joos, 81; Antw. Idiot. 163; De Bo, 55; Rutten, 15: Appelflauwte, dat woord wordt spottend gebruikt voor flauwte; Waasch Idiot. 79 b; Harreb. I, 18 a: Zij viel in appelflauwte; fri. en oostfri. (in) appelflaute. Vgl. het synonieme Hij valt van zijne peterselie (Harreb. II, 180).
Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)
Terug naar lijst
|