Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

appel - (beroep, verzet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

appel 2 zn. ‘oproep, beroep’
Mnl. apel ‘beroep’ in ende vallet die claghere van sinen apele [1281; CG I, 564], appel [14e eeuw; Pauw].
Ontleend aan Oudfrans apel ‘appèl, alarm; alarmklok’ [ca. 1100] (Nieuwfrans appel), bij het werkwoord apeler [1080] ‘(op)roepen, (be)noemen’ (Nieuwfrans appeler) < Latijn appellāre ‘aanspreken, aanroepen’, gevormd uit → ad- en pellere ‘verdrijven, verslaan, kloppen, doen klinken’, zoals in bijv.interpelleren, → propeller; zie ook → puls, dat op datzelfde Latijnse werkwoord teruggaat.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

appel2 [beroep, verzet] {apeel [oproeping voor het gerecht, sein tot oproeping, hoger beroep] 1336-1339} < frans appel, van appeler < latijn appellare [aanspreken, toespreken, een beroep doen op], van ad [naar … toe] + -pellare [zich richten], reflexief naast pellere [drijven, verdrijven, verslaan] (vgl. appeelken).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

appèl s.nw.
1. Beroep op 'n hoër hof. 2. Beroep wat op iemand gedoen word.
Uit Ndl. appel (al Mnl.). Eerste optekening in vroeë Afr. op 28 Oktober 1656 in die aanhaling "sijn appel op Batavia soude laten dienen" (Resolusies van die Politieke Raad, C.1).
Ndl. appel uit Fr. appel, met lg. van die ww. appeler uit Latyn appellare 'aanspreek, toespreek, 'n beroep doen op', met lg. van ad 'na ... toe' en pellare 'jou rig'.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetensckap en Kuns

appèl: (gew.) “hoër beroep” (by regspleging); Ndl. appel (uit Fr. appel, verb. m. ww. appeler uit Lat. appellare, “aanspreek; smeek”), Hd. appell, Eng. appeal.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

appèl ‘beroep, verzet’ (Frans appel)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

appel ‘beroep, verzet’ -> Indonesisch apél ‘beroep, verzet’; Jakartaans-Maleis apèl ‘beroep, verzet’; Javaans apèl ‘(in) hoger beroep (gaan)’; Keiëes appel ‘beroep, verzet’; Madoerees apel ‘hoger beroep’; Soendanees apel ‘hoger beroep’; Singalees äpäla ‘beroep, verzet’; Papiaments apèl ‘beroep’; Surinaams-Javaans apèl ‘hoger beroep’.

appel ‘sein tot verzameling van de troepen’ -> Indonesisch apél ‘sein tot verzameling van de troepen; hoofdelijk appel; grote bijeenkomst’; Javaans apèl ‘sein tot verzameling van de troepen; (militair) verzamelen’; Kupang-Maleis apél ‘sein tot verzameling van de troepen; vlagceremonie’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

appèl beroep, verzet 1336-1339 [MNW] <Frans

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

94. Iemand onder appèl houden.

Onder appèl, fr. appel, een afleiding van appeler, verstaat men het beroep op een hoogeren rechter, of in het krijgswezen: het sein tot verzameling der troepen, door trompet of trom gegeven; de verzameling der troepen in de kamers of buiten, waarbij de namen der manschappen worden afgelezen, om te zien of allen tegenwoordig zijn; fr. faire l'appel nominal; sonner, battre l'appel; hd. Appell blasen, schlagen. Vandaar in het algemeen de zegswijzen op 't appèl zijn, tegenwoordig zijn op tijd en plaats zooals afgesproken is; op 't appèl ontbreken (manquer à l'appel; beim Appell fehlen), niet aanwezig zijn, waar men behoorde te wezen; onder appèl, van een hond gezegd, die zich gemakkelijk laat terugroepen of fluiten (vgl. fr. obéir à l'appel; hd. der Hund hat Appell, is gehoorzaam); vandaar in figuurlijke toepassing van personen gezegd in de bovenstaande uitdrukking voor: hem in bedwang en gehoorzaamheid houden, zorgen dat hij doet wat hem is voorgeschreven. Zie voor dit alles het Ndl. Wdb. II, 557-559.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut