Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

apotheker - (geneesmiddelenbereider en -verkoper)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

apotheek zn. ‘winkel voor geneesmiddelen’
Mnl. apoteke ‘apotheek, drogisterij, kruidenwinkel’ [1287; CG II, Nat.Bl.D] met daarnaast ook die hochste apoteke ‘de hemel’ [1265-70; CG II, Lut.K].
Ontleend aan middeleeuws Latijn apotheca ‘apotheek’, dat teruggaat op Latijn apothēca ‘bewaarplaats’ < Grieks apothḗkē ‘id.’, een afleiding van het werkwoord apotithénai ‘wegleggen’, gevormd uit → apo- ‘weg’ en tithénai ‘stellen, leggen’ (waaruit ook bijv.these), verwant met → doen.
Andere leenwoorden die op hetzelfde Latijnse etymon apotheca teruggaan, zijn → bodega, → boetiek, en misschien → body. Het Grieks woord thḗkē ‘bewaarplaats’ komt als zelfstandig element ook voor in → bibliotheek, → discotheek en videotheek (zie → video) en naar analogie daarvan ook in Nederlandse neologismen als spel-o-theek ‘spelletjesbibliotheek’.
apotheker zn. ‘farmaceut’. Mnl. apoticaris ‘drogist, kruidenhandelaar’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], ab(e)teyker [1366; MNHWS]; vnnl. apteyker [1518; Claes 1994a], [1562; Kil.]. Ontleend aan middeleeuws Latijn apothecarius ‘magazijnmeester’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

apotheker [geneesmiddelenbereider en -verkoper] {apteker 1513} < oudfrans apotecaire < frans apothicaire < middeleeuws latijn apothecarius [winkelier, i.h.b. drogist], van apotheca [winkel] (vgl. apotheek); de middelnl. vorm apotecarijs [kruidenier, apotheker] {1287} is direct geleend uit het lat.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

apotheker znw., mnl. apotecarijs en aptēker m., beteekende van ouds “apotheker, kruidenier”; ’t komt van ofr. apotecaire, -arie, lat. apothêcârius. Voor “apotheek” kende ’t Mnl. apoticarîe v. (mlat. apothecaria); hiervan vla. pottekarie “de heele rommel”; deze vorm al in 1487.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

apotheker ‘bereider en verkoper van geneesmiddelen’ -> Indonesisch apotéker, apotiker ‘farmaceut; drugdealer’; Ambons-Maleis apotéker ‘bereider en verkoper van geneesmiddelen’; Japans dialect † aboteki ‘bereider en verkoper van geneesmiddelen’; Papiaments † apotheker ‘bereider en verkoper van geneesmiddelen’; Sranantongo apteikri ‘bereider en verkoper van geneesmiddelen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

apotheker geneesmiddelenbereider en -verkoper 1513 [WNT Suppl] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut