Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

apostel - ((door Christus) gezondene)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

apostel zn. ‘(door Christus) gezondene’
Mnl. apostel ‘id.’ [1240; Bern.].
Oude ontlening aan Latijn apostolus < Grieks apóstolos ‘bode, gezant’, afleiding van apostéllein ‘wegzenden’, oorspr. een vakterm uit de scheepstaal voor het wegzenden van schepen, gevormd uit → apo- ‘weg-’ en stéllein ‘zenden’, zie ook → epistel.
Ook de andere Oudgermaanse talen hebben dit leenwoord al: ohd. apostol, postul (nhd. Apostel); nfri. apostel; oe. apostol, postol (ne. apostle); on. postoli (nzw. apostel); got. apaustaulus (wrsch. direct uit het Grieks).
In het begin werd het woord alleen ter aanduiding van de twaalf apostelen gebruikt, later ook voor patroonheiligen (“Willibrord is de apostel van Nederland”), ijverige predikers en bekleders van diverse kerkelijke ambten (bijv. voorganger in de Hersteld Apostolische Zendingsgemeente).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

apostel [Godsgezant] {1201-1250} < latijn apostolus [afgezant, apostel] < grieks apostolos [weggezondene, afgezant], van apostellein [wegzenden, wegzenden met een opdracht], van apo [weg] + stellein [zenden]. In het nl. werd apostel ook schertsend gebruikt in de betekenis ‘jong kind’ (bv. in een huis vol kleine apostels) omdat ouders hun kinderen ‘uitzenden’ voor kleine diensten en boodschappen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

apostel znw. m. mnl. mnd. apostel, oe. apostol, got. apaustaulus < lat. apostolus < gr. apóstolus ‘afgezant’.

Mnl. heeft ook postel, evenals ohd. postul, oe. postol, met de afwerping van de eerste lettergr. onder invloed van het accent, zoals ook in juin naast ajuin, mandel naast amandel; zie ook: pul.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† apostel znw., mnl. mnd. apostel, ags. apostol m., ozw. apostel m. ‘apostel’. Uit gr.-lat. apostolus ‘afgezant’, evenals wsch. ook got. apaústaúlus, -stulus m. ‘apostel’ (of dit rechtstreeks uit gr. apóstolos?). — Deze vorm wijst op hernieuwde invloed van het lat. woord tegenover mnl. postel, ohd. postul, ags. postol m. ‘id.’, waarin de syllabe vóór het accent is afgevallen (vgl. bij pul).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

apostel 1 m. (van Christus), gelijk in alle Eur. talen, uit Gr.-Lat. apostolus = afgezant, van apostéllein (z. af en stellen).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

apostel s.nw.
1. Een van die 12 manne deur Christus gekies om Sy leer te verkondig, maar ook Matthias en Paulus as sendelinge onder die heidene. 2. Eienaardige persoon, kêrel. 3. (regswetenskap; verouderd) In die ou Romeinse prosesreg, 'n brief van verwysing waarby die regter wat 'n vonnis uitgespreek het waarteen een van die partye wou appelleer, die appellant na die hoër regter verwys het, waardeur die party dan as 't ware 'n afgevaardigde geword het. 4. Geloofsbode of eerste verkondiger van die Christendom of van 'n nuwe leer of stelsel. 5. Soort brandewyn of 'n sopie daarvan.
In bet. 1 - 4 uit Ndl. apostel (al Mnl. in bet. 1, 1708 in bet. 2, 1732 in bet. 3, 1857 in bet. 4). Bet. 5 het in Afr. self ontwikkel. Eerste optekening in vroeë Afr. op 8 Oktober 1743 in die vorm apostelen (Resolusies van die Politieke Raad, C.121).
Ndl. apostel uit Latyn apostolus uit Grieks apostolos 'afgesant, weggestuurde', met lg. van apostellein 'wegstuur, wegstuur met 'n opdrag'.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Apostel, (lett.) gezondene; volgeling van Jezus, verkondiger van zijn leer; (fig.) iemand die een bepaald ideaal verkondigt.
Apostel van, pleitbezorger van.
Rare, vreemde apostel, eigenaardige persoon
Vredesapostel, iemand die zich beijvert voor de vrede.

De apostelen, letterlijk 'gezondenen' om het evangelie te verkondigen, zijn als individu maar ook als twaalftal bekend. Het Latijnse woord van Griekse oorsprong is onvertaald gebleven en komt vanaf de oudste religieuze teksten voor tot in de huidige algemene taal, waarin mensen met een boodschap al of niet in (zelf)ironie als apostel aangeduid worden. Enigszins ouderwets is het om een zonderling iemand een rare apostel te noemen; de oorsprong is waarschijnlijk het buitenissige, wereldvreemde voorkomen dat men de apostelen toedacht. Het getal twaalf heeft vanouds een symbolische betekenis, getuige onder meer het citaat van Maerlant in de Rijmbijbel (1271), vers 4293-96: 'Die .xii. fonteinen die bedieden. / Die apostele die den lieden. / Soete leringhe ende clare. / Conden lude ende openbare.' (De twaalf bronnen [in de oudtestamentische stad Elim] symboliseren de apostelen, die de mensen luid en duidelijk een aangename en verheven leer verkondigden.) Met het woord apostel werden soms samenstellingen gevormd om zaken aan te duiden die uit twaalf elementen bestaan, zoals de apostelwoningen in het laatste citaat hieronder.

Liesveldtbijbel (1526), Lucas 22:14. Ende doen die vre quam sat hi neder, ende dye tweelf apostelen met hem.
Maar Ottens was een voorganger, een strijder, een man die meende geroepen te zijn en uitverkoren het nieuwe licht uit te dragen onder het volk. Mocht zo iemand zo handelen, moest hij zich niet losmaken van zijn ijdelheid en zijn angst? Een apostel mocht niet hangen aan het leven; hij moest het gelaat wenden naar het eeuwige en het lot aanvaarden dat hem op de schouders werd gelegd. (J. Mens, De witte vrouw, 1987 (1952), p. 233)
Ik wil geen apostel zijn van het anti-politiek-correcte levensgevoel, maar er zullen altijd mensen zijn die mij willen voorschrijven wat ik wel en niet mag denken en schrijven. Daar zal ik me tegen blijven verzetten. (Th. van Gogh in HP/De Tijd 16-4-1999, p. 125)
[Over een schaakwedstrijd:] 'Uw verslaggever [...] ging maar in op het remiseaanbod van Hans van Calmthout. Iemand die beter kan praten dan schaken. Ook moest iedereen meekrijgen dat hij z$n medicijnen ter plekke slikte. Toen er extra zuurstofflessen aangerukt werden, vond ik $t wel welletjes. Vreemde apostel.' (http://www.schaakverenigingdetoren.nl, actief 15-8-2005.)
[De Katholieke Kerk] treedt op als vredesapostel tussen oorlogvoerende landen, (Kath. Kerk. 3, 1947, p. 939; WNT XXIII, 165)
Zonder ophef of aankondiging liet de oude Lord op de afgegraven en ontgonnen dalgronden woningen zetten. Twaalf in getal. 'De apostelwoningen,' zei Pepi. (T. Kortooms, Het zwarte goud, z.j. (1962), p. 102)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

apostel (Latijn apostolus)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

apostel ‘godsgezant’ -> Singalees † apōstelon ‘godsgezant’; Negerhollands apostl(e) ‘godsgezant’; Papiaments apòstel ‘godsgezant’; Sranantongo apostru ‘godsgezant’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

apostel Godsgezant 1240 [Bern.] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

91. Een rare, ruwe, vreemde apostel,

d.i. iemand van vreemde, ruwe manieren, kleeding of uiterlijk. Volgens Zeeman, bl. 45 is deze zegswijze ontstaan als volgt: ‘Met dien naam (apostel) werden ook later zij onderscheiden die in vroeger of later eeuwen het Christendom onder de heidenen brachten, b.v. Bonifacius (de apostel der Duitschers), en daar onder deze personen mannen van allerlei stand, ook den minsten niet uitgesloten, en van onderscheiden uiterlijk en karakter voorkwamen, ontstonden zoo de uitdrukkingen wonderlijke, rare, ruige Apostel, ter aanduiding van vreemdelingen of min bekende personen, die zonderlinge manieren, vreemde karaktertrekken hebben of wat slordig zijn in kleeding en toilet’. In het Fransch bestaat de zegsw. un bon apôtre, dat Halma opgeeft als de vertaling van een ruige Apostel, een loskop, en dat het voorbeeld kan geweest zijn van onze zegswijze. Ook Sewel, bl. 50 kent de zegswijze 't is een ruigen apostel, met de vertaling: a good companion, a notable blade, a droll; Schuermans, Bijv. 13 citeert: een trage apostel, een luiaard; een drooge apostel, een die droog is of nooit lacht; Rutten, 15: een vieze apostel, een vies (d.i. rare) vent; zoo Antw. Idiot. 162; Waasch Idiot. 78 a; Teirl. 76; Ndl. Wdb. II, 542; fri. in nuvere, in rare apostel, een zonderlinge kerel; in rauwe apostel, een ruwe vent. Synoniem is een lastige apotheker; Teirl. 76: Pier es ne viezen apothekere, een lastig sinjeur; een vieze stuiver, een drollige vent (Claes, 229); fr. un drôle d'apôtre.

92. Kleine apostels.

Zoo worden kinderen wel eens genoemd, ‘omdat de ouders hunne kinderen tot het verrichten van kleine diensten of boodschappen uitzenden’. Zeeman, 45 en Ndl. Wdb. II, 542; Teirl. 76: kleinen apostele, kind. Ook spreekt men van drukke apostels.

1223. Het zijn niet allen koks, die lange messen dragen,

d.w.z. allen zijn niet, zooals zij schijnen; het uiterlijk vertoon bewijst niets. Vgl. bij Campen, 3: ten syn niet all guede koken, die langhe messen draeghen; Idinau, 44: ten zijn niet al kocks, die langhe messen draeghen; soo en zijn 't niet al wijse, die 't schijnen te zijne; Paffenr. 112; Bank. II, 220; Vierl. 43; 258; enz. Synoniem zijn de zegswijzen: ten sijn niet al Doctoren, die roode bonetten draeghen (Campen, 117); ten sijn niet alle papen die cruyne draghen (Prov. Comm. 625); ten sijn niet al iaghers die horen blasen (Prov. Comm. 649); zy en sijn niet al zieck die stenen (Prov. Comm. 791); zy en sijn niet alle heylich die gheerne ter kercken gaen (Prov. Comm. 792); zi en slapen niet alle die snuven (Prov. Comm. 790); ten syn al gheen lantsknechten, die langhe spietsen draghen (Servilius, 259; Volkskunde IX, 214); 't zijn al geen kocks die besmeerde schortekleen dragen (V.d. Venne, 124); het zijn niet allen apostelen, die wandelstokken dragen (Zeeman, 46); 't zijn allen geen gauwerts die 't uiterlijk schijnen (Halma); zie verder nog Joos, 148; Bebel, no. 61 en 327; Wander I, 668; II, 1446; Van Effen, Spect. VI, 215 en vgl. het Latijn non omnes, qui habent citharam, sunt citharoedi (Otto, 84); mlat. non est venator omnis qui cornua sufflat (Werner, 58); hd. es sind nicht alle Jäger, die das Horn blasen naast es sind nicht alle Köche, die lange Messer tragen; es beten nicht alle die in die Kirche gehen; eng. all are not hunters that blow the horn.

1483. Er zijn martelaars en apostelen (of propheten).

Men voegt deze woorden tot troost en bemoediging toe aan iemand, die een tobberd is. Evenals vroeger niet ieder geroepen was om het verheven zendingswerk der Apostelen te verrichten, kan ook thans niet ieder uitmunten in wetenschap en kunst, doch niettemin een nuttig lid der maatschappij wezen, evenals de martelaars, al waren ze lijders, toch het zaad der kerk zijn geweest. Zie Harreb. I, 16; Noord en Zuid V, 323. In Zuid-Nederland komt de zegsw. in eenigszins anderen zin voor; vgl. Loquela, 312: In elken stiel zijn er veel martelaars en weinig apostelen; g' hebt apostels en g' hebt martelaars; g' hebt smeds en g' hebt sjouwers; Antw. Idiot. 795: In elke(n) stiel zijn veel martelèèrs en weinig apostelen. De martelèèrs komen zoowel in den hemel als de apostelen, de knoeiers bereiken ook hun doel.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal