Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

apekool - (onzin, kletspraat)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

apekool zn. ‘onzin, kletspraat’
Nnl. in Dat 's apekool [1763; WNT pluizen I].
Herkomst onzeker. Er kan verband zijn met Zaans apekool ‘minderwaardige schelvis’ en met West-Vlaams apekalle ‘slechte vis’, waarbij via kallen ‘praten’ (zie → raaskallen) een semantische brug naar ‘kletspraat’ enz. mogelijk is. Waarschijnlijker lijkt een samenstelling met het zn.aap, dat wel vaker een pejoratieve betekenis geeft aan een samenstelling (apelazarus, apezat, apenbakkes, apenmelk). Het tweede lid komt dan wrsch. uit Duits Kohl ‘onzin, kletspraat’, dat in de 18e eeuw overgenomen is uit Jiddisch chaulem, cholem ‘waardeloos spul’. In het midden van de 18e eeuw komt in dieventaal Kohl machen ‘fantaseren, liegen, iemand iets wijsmaken’ voor; eind 18e eeuw kreeg Kohl bij studenten de huidige betekenis ‘kletspraat’ (Pfeifer).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

apekool [onzinpraat] {apenkool [onzin] 1763} waarschijnlijk van aap [onzin], uit het jiddisch; minder waarschijnlijk is een vervorming van westvlaams apekalle [minderwaardige vissoort], o.i.v. aap + kool1 of kool2; vgl. zaans apekool [schelvis van slechte hoedanigheid].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

apekool znw. v., ‘bedriegelijke zotternij’, maar gewestel. ‘schelvis van slechte hoedanigheid’ (Zaans en elders in Noord-Holland), vgl. ook vla. apekalle ‘minderwaardige vis; ondeugend of dom mens’, dat F. Baur, Donum natal. Schrijnen 576 vlgg. wil afleiden evenals nhd. havkalv uit on. hākarl ‘mannel. haai’, wat een hoogst onwaarsch. verklaring is.

apekool [Aanvullingen De Tollenaere 1969]: zie Ts 85, 228 [1969].

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

† apekool, apenkool znw., nnl., mogelijk vervormd uit wvla. apekalle ‘minderwaardige vissoort, scimnus borealis’ (dit uit de. havkalv?) onder invloed van aap en kool I of kool II. Vgl. zaans apekool ‘schelvis van slechte hoedanigheid”. Baur Donum Schrijnen 576 vlgg.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

apekool onzinpraat 1763 [WNT pluizen I]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

88. Apenkool.

Hieronder verstaat men ‘dwaze, nietswaardige praatjes, waarmede men iemand voor den gek houdt of zoekt te misleiden; bedriegelijke zotternij’. Volgens het Ndl. Wdb. II, 533 ‘eene versterking van kool (onzin, gekheid) door de bijvoeging van aap, waaraan mede het denkbeeld van dwaas, gek, valsch, bedrieglijk is verbonden’. Het is eerst in de 19de eeuw aangetroffen bij Wiselius, N. Dichtb. 233; Handelingen v.d. Staten-Gen. 28 Febr. 1913, bl. 2567: Wat is dat alles dan toch een verschrikkelijke apekool; bl. 2568: Het woord ‘apekool’ is geen parlementaire uitdrukking. B.B. 162; Nkr. V 9 Febr. p. 4; VII, 8 Maart, p. 2; VI, 28 Dec. p. 2: Politiek is apenkool. Vooral bekend in de uitdr. apenkool verkoopen, opdisschen. Vgl. het 17de-eeuwsche apenstaarten! (o.a. Gew. Weuw. III, 27) alsook aperij, dat zotternij, gekheid, mallepraat, ook aanstellerigheid (Bruyel, 93) beteekent. Opmerking verdient, dat men in het Zaansch en Noordhollandsch onder ‘apekool’ verstaat schelvisch van slechte hoedanigheid, en die daarom gerookt wordt; zie Boekenoogen, 20; Bouman 3. De vraag is het nu of bovenstaande uitdrukking haar ontstaan te danken heeft aan dit woord of dat omgekeerd deze visch zijn naam ontleend heeft aan die zegswijze. Het eerste is het waarschijnlijkst, aangezien apekool reeds in de 15de eeuw voorkomt in de beteekenis van een soort visch; vgl. Kentenissen der stad Zutphen, 1460-1470, fol. 121: Werner Kolsack heft in Scipper Heynen Voss scipp van Nymmegen viij last herings myn ij tonne ende iiij tonne apekelenDit zal wel apekolen moeten zijn. Mededeeling van den Heer J.W. Wijndelts, Commies aan de Universiteitsbibl. v. Amsterdam. ende Lambert van Zassenem ende Otto van der Hueden onder hem beiden iiiij last herings in schipper Herman Voskuylen schip oeck van Nymmegen.

Vroeger ook in denzelfden zin: blauwe boonen! en oele! dat nog niet geheel onbekend is naast het Zaansche aapjesket! In Groningen hoort men: appelkoukjes, maar ook oapekool! en oapekoolkwint; Drente: aopsukkerije (Bergsma, Dr. W. 18); fri. apekaol, in 't Oostfri. appelbömkes! zie Molema 13 b; 546 b en vgl. het eng. vegetables (Prick, 89).

1239. Het is allemaal kool,

d.w.z. het is allemaal maar gekheid; ook wel apekool, eene versterking van kool door bijvoeging van aap, waaraan mede het denkbeeld van dwaas, gek, valsch, bedrieglijk is verbonden; Ndl. Wdb. II, 532 en no 88. In de 18de eeuw komt het znw. kool in dezen zin voor bij Halma, 280, die het vertaalt door raillerie en citeert: Ik zeg het maar om de kool, je ne le dis que pour rire; hij verkoopt u kool, il se raille de vous; vgl. ook Sewel, 408: Het is maar om de kool, het is maar om te lachen; Langendijk, Wederz. Huwelijksbedrog, vs. 2122; Handelingen der Staten-Gen. 1913, p. 2568: Wat is het dan een kool die men verkoopt; Nkr. III, 4 Febr. p. 6: Of ze onzen secretaris Van Erkel of Kolthek doopen, 't zijn geniale lui in het kool verkoopen. Hiernaast komt in de 17de eeuw voor een wkw. kolen, gekscheren, dat wordt aangetroffen in de Klucht v.d. Pasquil-maecker. 15: 'k Mach onder 't lachen en kolen altemets wel een duveltje mengenAangehaald door Oudemans III, 462., waarmede wellicht te vergelijken is het hd. kohlen, viel durcheinander sprechen ohne Absicht und ZusammenhangKluge, Studentensprache, 101; Grimm V, 1581 en vgl. ook Eckart, 278 a en Wander II, 1457: Me wêt nicht recht, of me met em in'n Kaule of in'n Röwen (rapen) is, ob Scherz oder Ernst., en het oostfri. kôlen, dummes Zeug machen oder schwatsen, faseln (Ten Doornk. Koolm. II, 321), dat aldaar naast kôl maken of proten bekend is, hetzelfde als in de studententaal Kohl machen, unnütze Weitläufigkeiten im Vortrag machen.

Hoe kool deze beteekenis gekregen heeft, is niet met zekerheid te zeggen. Het is mogelijk, dat we moeten uitgaan van kool in den zin van iets van weinig waarde, waaruit zich de bet. onzin, gekheid kan hebben ontwikkeld (vgl. no. 88; 1017), eene meening, die gesteund wordt door de in de Rijnprovincie gebruikelijke zegswijze 't is kappes (kabuiskool), het is onzin, en het eng. it is all gammon and spinach, eig. gerookte ham en spinazieGrimm V, 1581 meent, dat kool deze beteekenis heeft gekregen door den invloed van het lat. crambe repetita (Juvenalis 7, 154), opgewarmde kool (choux réchauffés), opgewarmde hutspot (Van Effen, Spect. VII, 216), oude kost, onbeduidende dingen, onzin, gekheid, eene verklaring, die mij niet zeer waarschijnlijk voorkomt. Indien men den oorsprong in het Latijn wil zoeken, zou ik eerder geneigd zijn te denken aan carbonem pro thesauro invenire; doch waarschijnlijk komt me ook dit niet voor.. J. Meier, Hallische Studentensprache, 12 denkt aan het Hebreeuwsche kol, stem, geluid, dat in de dieventaal ook list, bedrog beteekent. Vandaar in het hd. kohl reiszen, liegen; kohl machen, voorliegen; kohlen, liegen; ankohlen, beliegen; seinen kohl mit einem haben, den spot met iemand drijven; sich ver kohlen lassen, zich laten beetnemen. Zie ook Stumme, Ueber die deutsche Gaunersprache, 14; Kluge, Rotwelsch, 431: Kohl machen, unnötige Worte machen.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut