Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

antoniusvuur - (kriebelziekte, in de middeleeuwen epidemisch voorkomende ziekte)

Thematische woordenboeken

T. Beijer en C.G.L. Apeldoorn (1996), Woordenboek van medische eponiemen, Houten

antoniusvuur: Het antoniusvuur, ignis sacer (‘heilig vuur’), ook wel ‘kriebelziekte’ genoemd, was een in de middeleeuwen epidemisch voorkomende ziekte. De aandoening werd gekenmerkt door tintelingen in handen en voeten. In ernstige gevallen werden de ledematen door afsterving zwart, met als gevolg afstoting of ernstige misvormingen. De ziekte ontstond door het eten van brood van rogge dat besmet was met de schimmel Claviceps purpurea. De giftige korrels, ook wel ‘moederkoorn’ geheten, zien er uit als een hanespoor, in een Frans dialect ergot, ‘gespoorde rogge’. De moderne naam van de ziekte, ergotismus, is hiervan afgeleid. Het giftige alkaloïd dat de verschijnselen veroorzaakt, heet ergotine.
Antonius Abt, ook bekend als Antonius de Grote, werd omstreeks 250 nabij Heraclea in Egypte geboren. Op twintigjarige leeftijd schonk hij al zijn bezittingen weg en hij leefde verder als kluizenaar in de Egyptische woestijn. Antonius was 105 jaar toen hij stierf. Zijn gebeente werd in 561 ontdekt en eerst naar Alexandrië en in 635 naar Constantinopel overgebracht. Ten slotte belandde het als relikwie in de kerk van Saint-Dizier-de-la-Motte in de Franse Dauphiné. Later werd in die plaats de orde van de antonieten gesticht, een broederschap van ziekenverzorgers. De leden van deze orde zijn gehuld in een zwart gewaad waarop aan de linkerzijde het hemelsblauwe T-vormige antoniuskruis gehecht is. Sinds 1491 rusten de overblijfselen van Antonius’ lichaam in Arles. Aan het eind van de elfde eeuw, tijdens een epidemie van het antoniusvuur, werd de zoon van de Franse ridder Gaston de la Valloire in de kerk van La Motte van deze ziekte genezen. Uit dankbaarheid liet de edelman een klooster voor de orde bouwen. In 1217 kreeg de orde officiële pauselijke erkenning. In Europa verrezen meer dan driehonderdvijftig hospitalen waar men de slachtoffers van het antoniusvuur opving en behandelde. De orde werd in 1777 bij de Maltezer ridderorde ingelijfd. In de volksverering werd later de heilige Antonius niet alleen aangeroepen tegen het antoniusvuur, maar ook tegen de pest en tal van varkensziekten. Zijn feestdag valt op 17 januari.
Doordat in de loop van de negentiende eeuw de aardappel het graan als volksvoedsel vervangen had, kwam de ziekte nog maar sporadisch voor. Toch brak er in 1951 in het Franse Pont-St.-Esprit een kleine epidemie uit, mogelijk veroorzaakt door Claviceps purpurea (Rodin).
Het maskerachtige gelaat van de heilige Antonius, zoals het door Matthias Grünewald (ca. 1470-1528) geschilderd is, noemt men wel het facies Antonina. Grünewalds schilderij ‘De verzoeking van de heilige Antonius’, een der vleugels van het Isenheimer altaar, bevindt zich in het museum, het voormalige klooster Unterlinden te Colmar. Volgens sommige kunsthistorici stelt het schilderij een lijder aan het antoniusvuur voor, gezien de reptielachtige misvormingen. Anderen menen op grond van de holle starre blik (ptosis, lagophthalmus, ectropion, oogspierverlammingen) en de met zweren bedekte huid dat we er een lepralijder in moeten zien. Evengoed zouden de etterige puisten bij een syfilitische patiënt kunnen passen.
Ook in de volgende eponiemen leeft de naam van Antonius voort: antoniusbrood: brood of geld als aalmoes voor de armen om door Sint Antonius gehoor te vinden bij God; sint-antoniuskruid: helmkruid; antoniuskrukje: een T-vormig krukje; antoniusvarken: een der vele attributen van de heilige Antonius (deze varkens, die in vele steden vrij door de straten liepen, voedden zich met het afval dat op de straat gegooid was en droegen een belletje om hun hals). Ook de teunisbloem, de gele wederik (Oenotheria blennis) is naar hem genoemd.

Hosted by Meertens Instituut