Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

anti - voorv. dat tegenstelling of tegenstand uitdrukt in combinatie met zn. of bn.; (tegen); (tege

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

anti(-) voorv. dat tegenstelling of tegenstand uitdrukt in combinatie met zn. of bn.; vz. ‘tegen’; zn. ‘tegenstander’
In het Middelnederlands nog alleen in (christelijk) Latijnse leenwoorden: antiphone ‘beurtzang’ [1460; MNW vesper], Antikirst ‘antichrist’ [1399; MNW-P]; nnl. anticritiek ‘tegenkritiek (reactie op kritiek)’ [1824; Weiland], antirevolutie ‘tegenrevolutie’ [1824; Weiland], anti-Belgisch ‘tegen dat wat Belgisch is’ [1838; WNT], anti-kerkelijk ‘onkerkelijk’ [1872; WNT]. Uit deze jongere betekenis volgt die van het simplex anti zn. ‘persoon met een gezindheid tegen datgene waarvan sprake is’ [1898; Dale], anti bn. ‘tegen zijnde’ [1948; WNT anti II].
Oorspr. is dit het Griekse voorvoegsel anti-, als voorzetsel antí, ánta ‘tegen, tegenover’. In het Middelnederlands en het Vroegnieuwnederlands zijn woorden met anti- meestal nog complete ontleningen aan het Latijn, dat dit voorvoegsel ook heeft overgenomen. Productiviteit krijgt anti- pas in de 19e eeuw.
De Oudgermaanse verwanten zijn: os. and-, ant-; ohd. ant-, int-, ent-; ofri. ond-, ont-; oe. and-; on. and-; got. and (vz.) ‘naar, tot, langs’, anda-; < pgm. *and-. Als voorvoegsel voor naamwoorden zijn hiervan slechts enkele relicten over, bijv.antwoord, en plaatsnamen, bijv. Antwerpen (< Antwerp, letterlijk ‘tegen (het water) opgeworpen (grond)’, ofwel ‘dam’), Den Andel (Groningen, < Antlida [ca. 820; Künzel 67] < *and-lēda- ‘tegenover, langs een waterloop’). Daarnaast bijv. mnl. anthovet ‘dam, waterkering’, andlame ‘huisraad’ (naast gewoner allame, nu als verouderd woord alaam ‘gereedschap’). Voor werkwoorden is het verzwakt tot → ont-.
Verwanten in andere Indo-Europese talen zijn: Latijn ante (als voorvoegsel ook anti-) ‘voor (in tijd of plaats)’; Sanskrit ánti ‘in aanwezigheid van; voor’; Litouws anta ‘naar, tegen’; Hittitisch hanti ‘tegenover, voor’; bij de stam pie. *h2ent- ‘voorkant, front’. Hieruit ook → einde.
In een aantal Nederlandse woorden met anti- is dit niet het Griekse voorvoegsel, maar het Latijnse verwante ante- of anti- ‘voor (in plaats of tijd)’, bijv. in antichambre ‘voorkamer’, antidateren (ook antedateren) ‘van een eerdere datum voorzien’ en → anticiperen ‘ergens op vooruitlopen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

anti [tegen] {1824} < grieks anti [in het gezicht van, tegenover, tegen, in plaats van], eig. de lokatief van ant- [voorkant], verwant met latijn ante [voor], oudindisch anti [tegenover, voor, in tegenwoordigheid van], vgl. nederlands ant- in antwoord.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

anti- (Grieks anti-)

P.H. van Laer (1949), Vreemde woorden in de natuurkunde, Groningen/Batavia.

Anti- (= Gr. ἀντι- (anti) = tegenover, in de plaats van). Eerste lid in samenstellingen voor het aangeven van een tegenstelling, tegenoverstelling; b.v. antikathode, antineutrino, antisymmetrisch.

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Anti- (< Gr. ἀντὶ = tegenover, in de plaats van, tegen). In samenstellingen gebruikt om tegenoverstelling, verwisseling of tegenstelling aan te duiden. Het komt voor:
a) in den zin van tegenover, nl. om aan te duiden, dat een punt aan een punt of een lijn gespiegeld is, in Anti-caustica, Anti-evoluut, Anti-machtlijn, Anti-polariteit.
b) om verwisseling aan te duiden, in Anti-homothetisch, Anti-parallel.
c) in de betekenis van omgekeerd (invers): Anti-logarithme.
d) in de betekenis van tegengesteld: Anti-commutatief, Antinomie.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

anti ‘voorzetsel: tegen’ -> Indonesisch anti ‘non-’; Menadonees anti ‘ergens tegen zijn’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

anti voorzetsel 1824 [WEI] <Grieks

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal