Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

antecedent - (voorafgaand feit)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

antecedent zn. ‘voorafgaand feit’
Nnl. antecedenten (mv.) “voorafgegane, vroegere gebeurtenissen of verhoudingen” [1863; Kramers]; nnl. antecedens “de of het voorgaande; eerste voorstel” [1824; Weiland]. Eerder al als zn. in Latijnse vorm: vnnl. antecedens “voorghaande, voorstuk” [1658; Meijer] en als bn.: antecedent ‘voorgaand’ [1769; WNT].
Via Frans antecedent ‘voorafgaand’ ontleend aan Latijn antecēdēns ‘het voorafgaande’, het gesubstantiveerde teg.deelw. van antecēdere ‘voorafgaan’, gevormd uit ante- ‘voor’ (zie → anti-) en het werkwoord cēdere ‘gaan’, zoals ook in bijv.abces, → accessoire, → concessie, → exces, → proces, → succes; dit cēdere is verder van onbekende oorsprong, maar volgens Rey wellicht verwant met cadere ‘vallen’, zie → kans.
Als grammaticale term: ‘woord of zinsdeel waarop een betrekkelijk voornaamwoord of bijwoord terugwijst’ ter vervanging van vnnl. voor-ghaende naam-woort [1649; Kók], voorgaand(e) woord [1653; Leupenius]. Aanvankelijk was het een bn. (in vōx antecēdēns), later werd het in de traditionele taalkunde gesubstantiveerd.
Lit.: Ruijsendaal 1989

EWN: antecedent zn. ‘voorafgaand feit’ (1824)
ANTEDATERING: vnnl. antecedent 'eerste propositie, eerste bewering' [1606; Costerus, 818]
Later: mijne antecedenten 'mijn verleden' [1829; Nederlandsche staatscourant (KB) 18/12] (EWN: 1863)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

antecedent [voorafgaand feit] {1862, in de wiskunde antecedens 1635} < frans antécédent of direct < latijn antecedens (2e nv. antecedentis) [voorafgaande], teg. deelw. van antecedere [voor(af)gaan], van ante [voor] + cedere [gaan].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

antecedent (Frans antécédent)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

antecedent ‘voorafgaand feit’ -> Indonesisch antéséden ‘voorafgaand feit’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

antecedent voorafgaand feit 1862 [WNT] <Frans

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

antecedenten hebben (← Lat. antecedens ‘voorafgaand’), bij de politie gebruikte uitdrukking voor ‘een strafregister hebben’.

Doodeman bevestigt dat ook in Haarlem steeds meer criminelen de kleinschalige handel controleren. ‘Wie antecedenten heeft, zet de zaak domweg op naam van zijn vriendin.’ (Elsevier, 20/07/91)
Jongens die niet voor de eerste keer zijn opgepakt en doorgaans een reeks ‘antecedenten hebben’: inbraak en diefstal. (Het Parool, 24/08/91)
U bent gerespecteerd jurist, u houdt een eigen kantoor in Zwolle, u boert niet slecht als ik het zo mag zeggen, U heeft bij ons geen antecedenten. (Jac. Toes: De afrekening, 1994)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut