Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

annuïteit - (jaarlijkse afbetaling of uitkering)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

annuïteit zn. ‘jaarlijkse afbetaling of uitkering’
Nnl. Annuyteijten (mv.) ‘oude Engelse obligaties (schuldbrief van een staatslening), waar jaarlijks rente en een gedeeltelijke aflossing op wordt uitgekeerd)’ [1736; WNT Supp.], ‘jaarlijks vast bedrag ter aflossing en rentebetaling over een geleend kapitaal’ [1843; WNT Supp.].
In de oudste attestaties (als naam van een bepaald soort lening) ontleend aan Engels annuity [1693; OED], eerder al (en ook nu nog) algemener ‘jaarlijkse uitkering’, met oudste attestatie annuitee [1420; OED], ontleend aan Anglo-Normandisch annuité [1386; Rey] < Laatlatijn annuitas, afleiding van Latijn annuus ‘jaarlijks’, afleiding van annus ‘jaar’, zie → anno.
De huidige betekenis als benaming voor de te betalen of uit te keren jaarlijkse geldsom zelf is afkomstig uit die van Frans annuité en heeft de oude betekenis vervangen.

EWN: annuïteit zn. ‘jaarlijkse afbetaling of uitkering’ (1736)
ANTEDATERING: Annuiteiten of Renten [1733; E.Mercurius 44, 1, 224]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

annuïteit [jaarlijkse uitkering] {1736} < frans annuité of < engels annuity < middeleeuws latijn annuitatem, 4e nv. van annuitas [het jaarlijks terugkeren, pensioen], van annuus [jaarlijks terugkerend], van annus [jaar].

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

annuïteit s.nw.
Som geld wat elke jaar betaal word gedurende die leeftyd van die ontvanger as 'n vorm van belegging, en op 'n ooreengekome datum terugbetaalbaar is onder gunstige belastingvoorwaardes.
Uit Ndl. annuïteit (1736).
Ndl. annuïteit uit Fr. annuité of Eng. annuity, met albei lg. uit Middeleeuse Latyn annuitatem, met lg. van annus 'jaarliks'.

Thematische woordenboeken

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Annuiteit (< Lat. annuus = jaarlijks; < annus = jaar). Jaarlijks te betalen bedrag.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

annuïteit jaarlijkse uitkering 1736 [WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut