Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

anijs - (schermbloemige plant (Pimpinella anisum); de kruidige zaadjes van deze plant)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

anijs zn. ‘schermbloemige plant (Pimpinella anisum); de kruidige zaadjes van deze plant’
Mnl. anis ‘anijs’ [1240; Bern.], suoten dranc mít lacrisse ende mít anís ‘een zoete drank met zoethout en anijs(zaadjes)’ [1253; CG II, Gez.reg.].
Via Latijn anīsum ontleend aan Grieks ánīson, een variant van án(n)ēson. De herkomst van het Griekse woord is onduidelijk. Mogelijk is het van origine een variant van án(n)ēthon ‘dille’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

anijs [plant] {an(n)ijs 1201-1250} < frans anis < latijn anisum < grieks anison [anijs], van voor-gr. herkomst.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

anijs znw. m., mnl. anijs, anies, evenals mhd. nhd. anis < fra. anis < lat. anisum < gr. ánison naast ánēthon, ánēson.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

anijs znw., mnl. anijs, anies o. Uit lat. anîsum (gr. ánīson, jongere vorm naast ánēthon, ánēson “dille, anijs”) òf direct òf via fr. anis ontleend. Evenzoo laat-mhd. anîs, enîs o. (nhd. anis m.).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

anijs m., Mnl. anijs, gelijk Mhd. anis, enis (Nhd. anis), Eng. anise, uit Fr. anis, van Lat. anisum, anethum, uit Gr. ánison, ánēthon: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

anys s.nw.
1. Eenjarige plant waarvan die saad o.a. as medisyne, geurmiddel in kos of geursel in drank gebruik word. 2. Saad van die anys (anys 1). 3. Brandewyn of likeur wat met anys (anys 2) gegeur is. 4. Anyswortel.
Uit Ndl. anijs (al Mnl.).
Ndl. anijs uit Latyn anisum uit Grieks anison.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

anijs’ (de), naam voor enige struikjes waarvan de bladeren bij wrijven naar AN anijs ruiken (Potomorphe peltata en Piper-soorten, Anijsbladfamilie*). - Etym.: AN anijs = kruid (Pimpinella anisum, Soepgroentefamilie*) en het zaad daarvan dat de karakteristieke geur en smaak heeft. S anesi. - Samenst. ook enige (ten dele onzekere) soortnamen die gevormd worden met S en SN voorvoegsels: mananijs*, oeman-anijs, bosanijs.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

anijs (Frans anis)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

anijs ‘plant’ -> Indonesisch anis ‘plant; anisette’; Ambons-Maleis anès ‘plant’; Boeginees ânisí ‘anisette’; Kupang-Maleis anès ‘plant’; Makassaars ânisí ‘anisette’; Menadonees anès ‘plant’; Ternataans-Maleis anès ‘plant’; Japans † aneisu ‘plant’; Sranantongo aneisi ‘plant’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

anijs plant 1240 [Bern.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut