Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

angstvallig - (vreesachtig; pijnlijk nauwgezet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

angstvallig bn. ‘vreesachtig; pijnlijk nauwgezet’
Mnl. in het zn. anxtvallicheden ‘vrees, bezorgdheid’ [1399; MNW-P], anxtvallich ‘bevreesd’ [1430-40; MNW-P]. Daarnaast in het verleden ook gebruikt met als tweede lid -voudig (nog tot in de 17e eeuw) en de nevenvormen -voldig of -vuldig: anxtvoudich [1409; MNW-P], anxtvoldich [ca. 1400; MNW], anxtfuldig [1537; WNT Supp.]. De huidige betekenis ‘nauwgezet’ bestaat wrsch. al in de zin (tegen een bij): Waerom moystu di [doe je moeite] alle den dach dorstich ende anxtvoudich in den dorren bloemen? [1475; MNW moeyen]; en in de combinatie anxtvallich ende sorchvoudich [ca. 1484; MNW].
Aanvankelijk gevormd uit het zn.angst en het ongedeelde achtervoegsel -voudich/-vuldich (naast de noordoostelijke variant -voldich), bestaande uit → -voud en → -ig. Al vroeg trad suffixsubstitutie op: -voudich werd vervangen door -vallich door volksetymologische associatie met het werkwoord → vallen: ‘in angst vallend, rakend’ kwam in de plaats van ‘in angst gevouwen, gewikkeld’.
De betekenisontwikkeling van ‘bevreesd, bezorgd’ naar het al in de 15e eeuw voorkomende ‘zorgvuldig, nauwgezet’ is eenvoudig te verklaren als men het laatstgenoemde opvat als ‘bang om iets verkeerd te doen’. Het achtervoegsel -vallig is enige tijd productief geweest, getuige samenstellingen als schroomvallig (zie → schroom), wisselvallig (zie → wissel), gewestelijk boetvallig en 17e-eeuws minvallig en schemervalligh, die wellicht naar analogie van angstvallig gevormd zijn.
Lit.: Lessen 1928, 117

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

angstvallig bw., mnl. anxtvallich is onder invloed van vallen, ontstaan uit mnl. anxtvoudich, mnd. angestvoldich; voor het 2de lid zie: zorgvuldig en vgl. verder: schroomvallig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

angstvallig bnw, mnl. anxtvallich. Vervormd (onder invloed van vallen) uit mnl. anxtvoudich, dial. anxtvoldich = mnd. angestvoldich, Teuth. anxtfeldich “angstig, bang”. Voor het tweede lid zie zorgvuldig.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

angstvallig. Vgl. nog schroomvallig Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

angstvallig bijv., Mnl. anxtvallich, vervormd uit *angstvuldig, dial. angstvoldig, Mnl. anxtvoudich.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

angsvallig b.nw.
1. Vreesagtig, bekommerd. 2. Pynlik presies, noukeurig.
Uit Ndl. angstvallig (al Mnl.). Ndl. angstvallig deur assimilasie uit angstvaldig wat onder invloed van die ww. vallen ontstaan het uit Mnl. anxtvoudich 'angstig, bang'.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut