Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

angst - (vrees)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

angst zn. ‘vrees’
Onl. angust ‘benauwdheid, angst’ [10e eeuw; W.Ps]; mnl. angest ‘angst, bezorgdheid’ [1200; CG II, Servas], angest, anxt ‘angst; gevaar’ [1240; Bern.].
Alleen continentaal West-Germaans: mnd. angest, anxt; ohd. angust ‘benauwdheid, vrees’ (mhd. angest; nhd. Angst ‘vrees’); ofri. ongosta, onxta, anxta ‘vrees’ (nfri. eangst(me)); nzw. ångest < mnd.; < pgm. *angusti-, een abstractum bij het bn. *angu- ‘nauw, smal’, zie → eng.
Een vergelijkbaar achtervoegsel heeft Latijn angustia ‘nauwte, moeilijkheid’, naast bijv. angere ‘benauwen’; en bijv., bij andere wortels, → dienst en → ernst.
Oorspr. gaf het wrsch. een gevoel van benauwdheid aan, dat zich tot ‘vrees’ ontwikkelde.
angstig bn. ‘bevreesd’. Mnl. anxsteg ‘id.’ [1240; Bern.]. ♦ angsthaas zn. ‘bangerd’. Nnl. angsthaas ‘id.’ [1984; Dale]. Wrsch. een leenvertaling van Duits Angsthase ‘id.’, onder invloed van Hase ‘haas’ volksetymologisch aangepast uit een niet geattesteerd Angsthose ‘bangerd’, een samenstelling met Hose ‘broek’ (zie → laars), wellicht vanwege de plaats waar zich angst opvallend kenbaar kan maken (vergelijk hiermee het synonieme bang(e)broek). Deze veronderstelling wordt gesteund door het in Noord-Duitsland voorkomende equivalent Bangbüx, met als tweede lid Büx, mhd. buxe, een samentrekking uit *buckhose ‘bokbroek, broek uit bokkenleer’.
Lit.: H. Krahe (1949) ‘Die st-Bildungen in den germanischen und indogermanischen Sprachen’, in: Beiträge zur Geschichte der deutschen Sprache und Literatur 71, 225-250, hier 238

EWN: ♦ angsthaas zn. ‘bangerd’ (1984)
ANTEDATERING: Angsthazen! [1931; De tribune (KB) 16/5]
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

angst1* [vrees] {oudnederlands angust 901-1000, middelnederlands anxt(e)} oudhoogduits angust, oudfries onxt; buiten het germ. latijn angor [benauwdheid, angst], angustus [nauw], oudindisch aṃhas- [angst].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

angst znw. m., mnl. anxt m. anxte v. ‘benauwdheid, gevaar, vrees’, mnd. angest, anxt m. ‘gevaar, angst’, ohd. angust v. ‘gevaarlijke toestand, angst’, ofri. ongost, ongest, onxt m. ‘angst’. — osl. ǫzostŭ ‘vernauwing, benauwdheid’. Grondvorm *anĝhosti met ti-suffix uit *anĝhos, anĝhes, vgl. on. angr ‘verdriet, droefheid’, lat. angor ‘samensnoeren van de keel, onrust, angst’, angustus, ‘eng’, oi. amhas ‘angst, nood’ (IEW 42).

Deze stam *anĝhos staat naast *anĝhus waarvoor zie: eng.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

angst znw., mnl. anxt m., ook anxte v. “benauwde toestand, gevaar, risico, vrees”. = onfr. angust v. “angustia”, ohd. angust v. “gevaarlijke toestand, angst” (nhd. angst), mnd. angest, anxt m. “gevaar, angst”, ofri. ongost, -est, onxt m. “angst”, germ. *aŋʒusti- v., * ąŋʒustu- m. Gew. opgevat als een afl. van den bij eng besproken germ. stam *ąŋʒ(w)u- “eng”. Wsch echter moeten we dit germ. woord evenals lat. angus-tus, “eng”, angus-tiae “engte”, ksl. ązos-tĩ “nauwte” als een afl van idg. *añĝhos “id “ (lat. angor “het worgen, angst”, oi. áḿhas- “engte, nood”; ook on angr m. o. “smart, schade”?) opvatten; vgl. nog ozw. ängsla “beangstigen”. De u van ’t germ. znw. kan aan invloed van ’t verwante *aŋʒ(w)u- worden toegeschreven.

[Aanvullingen en Verbeteringen] angst. De bet. van ’t germ. woord is mogelijk door lat. anxius, angustiae beïnvloed.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

angst m., Mnl. anxt, Onfra. angust + Ohd. id. (Mhd. angest, Nhd. angst), niet van Lat. angustia (Fr. angoisse, Eng. anguish), maar een Germ. afleid. van eng (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

angs (zn.) angst; Aajdnederlands angust <901-1000>.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Angst van den Germ. wt. ang (ook in eng en bang voorkomende) en die zelf weer verwant is met het Idg. angh = nauw, beklemd. De st is het achtervoegsel bij ’t w.w. angen (= benauwen, kwellen); vgl.: „Wat doodsgevaar mij dreef en angde.” Hiervan het w.w. beangen: „Hij sucht, hij quijnt, hij wordt beangt”, later tot bangen samengetrokken: „Wat is daer voor een beest, die u, mijn siel! doet banghen?” Hiervan het bijv. nw. bang.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

angst ‘vrees’ -> Deens angst ‘vrees’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors angst ‘vrees’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds ångest ‘vrees’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

angst* vrees 0901-1000 [CG WPs Gloss.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1132. Keur baart angst,

d.w.z. wanneer men uit vele zaken moet kiezen, loopt men gevaar, risico van eene verkeerde keuze te doen. Deze beteekenis van het znw. angst in dit spreekwoord was de gewone in de middeleeuwen; zie het Mnl. Wdb. I, 430; Ndl. Wdb. II, 462; Brederoo, III, 344: De angst die int verkiesen leyd beswaert mijn hart soo seer. Vgl. verder bij Campen, 112: weel die coer heft, die heft die quael; Goedthals, 35: wie de kuere heeft, hy heeft angst; Spieghel, 267; Mergh. 13: den grooten kust dik verdrijft den lust; De Brune, 494: die keure heeft, die heeft oock anghst; Vondel, Adam in Ball. vs. 1292; Samson, 1300: Keur baart hoop en angst van winnen of verliezen; Tuinman I, 226: Keur baart angst; Harreb. I, 15 b; Nw. School II, 175: De keur geeft de kwel; Molema, 233 a: dei de keur het, het ook de kwel, en de aldaar uit het Nederduitsch aangehaalde varianten. Vgl. Wander IV, 1740: Wahl macht Qual; wer die Wahl hat, hat auch die Qual.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut