Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ander - vnw., (niet dezelfde)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ander vnw., bn. ‘niet dezelfde’
Onl. andar ‘niet dezelfde, tweede (persoon)’ in: andrastheo ‘meisje van iemand anders’ [8e eeuw; LS], ander (vnw., bn.) ‘niet dezelfde’ [ca. 1100; Will.]; mnl. ander ‘niet dezelfde (persoon)’ [1200; CG II, Servas], ‘niet dezelfde, volgende (zaak)’ [1236; CG I, 21], dander helft ‘de tweede helft’ [1254; CG I, 62].
Os. ōđar, āthar, andar ‘tweede, niet dezelfde’; ohd. andar ‘id.’ (nhd. ander ‘niet dezelfde’); ofri. ōther ‘id.’ (nfri. oar ‘niet dezelfde; volgende’); oe. ōþer ‘id.’ (ne. other ‘niet dezelfde’, another ‘nog een’); on. annarr (nzw. annan ‘niet dezelfde’, andra ‘tweede, andere’); got. anþar ‘id.’; < pgm. *anþara-.
Buiten het Germaans verwant met: Sanskrit ántara- ‘ander’; Litouws añtras, añtaras ‘ander’; Lets ùotrs; Oudpruisisch anters, antars ‘ander’; bij pie. *on-tero-, wrsch. uit de pronominale wortel *eno- (waarbij Latijn enim ‘voorwaar’; Grieks énē ‘overmorgen’) met het comparatief-achtervoegsel *-tero (IEW 37).
De oorspr. betekenis was ‘de andere van twee’, contrasterend met de wortel *al-(io)- ‘een ander van velen’, zoals in bijv.alias en → elders. In de Oudgermaanse talen is deze betekenis ‘tweede’ nog alom aanwezig; ook in het Middelnederlands was zij springlevend. In de West-Germaanse talen is ze verdwenen. Het Nederlands heeft nog wel enkele versteende uitdrukkingen, bijv. de een en de ander en eenmaal, andermaal.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ander* [de tweede, niet dezelfde] {oudnederlands andarn 901-1000, middelnederlands ander [ander, tweede]} oudsaksisch āthar, ōthar, oudhoogduits andar, oudfries ōther, oudengels ōðer, oudnoors annarr, gotisch anþar; buiten het germ. latijn alter, oudindisch antara-, een vergrotende trap.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ander bnw., voornw., mnl. ander ‘ander, tweede’, os. ōthar, āthar, ohd. andar, ofri. ōther, oe. ōðer (ne. other), on. annarr, got. anþar. — Gevormd met het comp. suffix -tero uit de pron. wortel *ono/eno. vgl. on. inn, enn, (AEW 286); lat. enim ‘voorwaar’, gr. hénē ‘overmorgen’, oi. anena ‘met deze’, anā ‘zeker’.

Daarnaast een stam *ieno, waarvoor zie gene (IEW 319-320).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ander bnw., mnl. ander “ander, tweede”. = ohd. andar “tweede, ander” (nhd. ander), os. ȃthar, ôthar, ofri. ôther, ags. ôðer (eng. other), on. annarr, got. anþar “id.”. Een idg. comparativische formatie = lit. añtras, oi. ántara- “de andere”. Obg. vŭtorŭ “de tweede” zal wel een ander woord zijn. De basis an-ook in oi. anyá- “een ander” (vgl. voor de formantia lat. al-ter “de ander”: al-ius “een ander”) en in obg. onŭ “hij”, lit. añs “ille”, arm. -n “de”, (oi. ana- “deze”; vgl. over deze e. a. vormen Brugmann Demonstrativpr. 90—95), nperz. ȃn “ille”, gr. éno- in énē “de dag van overmorgen”, keīnos (*keenos) “ille”, ódeĩna “dinges” (uitgegaan van *táde éna “dit en dat”). De bijvorm aar, die in het oudere Ndl. en nog in fri. getinte diall. voorkomt, in ’t beschaafde Ndl. alleen in elkaar, malkaar, is in het fri.-holl. dialect klankwettig uit *anþar > *ȃþar ontstaan. — In anderhalf, mnl. anderhalf leeft de oude bet. van ander “de tweede” nog voort. Vgl. ohd. andarhalp (nhd. anderthalb), os. ofri. ôtherhalf, ags. ôðer healf, on. halfr annarr “anderhalf”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] ander. Met oi. anyá- zijn alb. nˊɛ “unus” en arm. ain “ille” geïdentificeerd: onzeker.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ander. De bijvorm (-)aar zal eerder uit een bijzonder sterke reductie van dit veel gebruikte pronominale woord dan uit normaal-friese klankontwikkeling te verklaren zijn: Tschr. 42, 280 vlgg.; 46, 261.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ander bijv., Mnl. ander, Os. âthar + Ohd. andar (Mhd. en Nhd. ander), Ags. óđer (Eng. other), Ofri. other, On. annar (Zw. annan, De. anden), Go. anþar + Skr. antaras. Lit. añtras; is compar. van Idg. demonstr. Skr. ana- = deze, Arm. -n = de, Osl. onŭ = hij, Lit. añs = deze. In anderhalf is ander = tweede; dus een eenheid en de tweede half; cf. achtehalf.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

aander (telw.) niet dezelfde; Aajdnederlands andar <701-800>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

an’dere (zelfst. gebr. bn.), 1. andere persoon i.h.a. Lucia was toen mijn ‘meisje’... ach je weet hoe het loopt met popu’s*, elke maand vind je een andere (Dobru 1968b: 28). - 2. andere, derde, persoon die een liefdesverhouding stoort of in de weg staat. ‘Wat?’ vroeg hij, ‘wil mijn mieke niet meer van me zijn?’ Als ze niet antwoordt gaat hij verder, ‘of is er een andere?’ (Mechtelly 1984: 25).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ander ‘telwoord: de tweede, niet dezelfde’ -> Negerhollands ander, andǝ, andi, andu, ēnandǝ, ēnandu ‘niet dezelfde’; Berbice-Nederlands andre, andri ‘telwoord: de tweede, niet dezelfde’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ander* telwoord: de tweede, niet dezelfde 0701-800 [Lex Salica]

ander* onbepaald voornaamwoord 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

454. De een zijn dood is de ander zijn brood,

de dood van den een bezorgt een ander een middel van bestaan, doordat hij in diens plaats komt; ook wel in algemeener zin, dat men dikwijls voordeel trekt uit het nadeel van een ander; vgl. lat. lucrum sine alterius damno fieri non potest.; De Brune, 379: 't Verderf van d'een, als nu en dan, ist rijzen van een ander man De zegswijze dateert uit de 16de eeuw; vgl. Trou m. Blycken, bl. 9: Des eens doot is dikwils des anders vrame (voordeel); Tuinman I, 114: Des eenen dood, is des anderen brood, door 't afsterven van den eenen, verkrygt de andere levensmiddelen, door erfenis, door amptvolging, enz.; II, 150; Sewel, 181: De een zyn dood is de ander zyn brood, one's death is another's bread; Ndl. Wdb. III, 2833; Arbeid, 24 Sept. 1913, p. 2 k. 1; Schuermans, 81 b; Waasch Idiot. 182 b; De Bo, 190 b; Antw. Idiot. 304; 1654; Rutten, 41 b; Teirl. 340: iemands dood es iemands brood; fri.: de iene syn skea (schade) is d'oare syn brea. Ook in het hd. de. zwe. en eng. komt de zegswijze voor. Zie Wander IV, 1235: de ên sîn Dôd is de anner sîn Brot (Eckart, 525; Dirksen II, 20); des einen Tod des andern Brot; eng. what is one man's meat, is another man's poison (niet alles is voor allen hetzelfde) naast one man's breath is another man's death.

2276. Een hoogen (lagen, anderen) toon aanslaan,

d.i. door op een toets te slaan een zekeren toon voortbrengen; bij overdracht: door woorden of vooral door stembuiging zekere gemoedsstemming openbaren; meestal in ongunstigen zin (vgl. het fr. le ton fait la musique); Ndl. Wdb. I, 309. Zie Mar. v. Nijm. 166: Zijn voiseken versoeten; Huygens, Scheepspraet, vs. 26: Stille, Maets! een toontje min! Pers, 309 b en 570 b: Een soeter toon trecken, - singhen; Sewel, 791: Op een hooge toon spreeken, to speak boldly, to talk high; Van toon veranderen, to sing to another tune, to talk at a lower rate (vgl. een toontje lager zingen o.a. De Arbeid. 5 Dec. 1914, p. 3 k. 4; Nkr. VIII, 29 Aug. p. 2; Het Volk, 2 Febr. 1914, p. 5 k. 4); Tuinman I, 259: Dat gaat een toontje te hoog; Harreb. II, 339: Hij zingt nu uit een anderen toon of hij speelt nu uit een anderen grondtoon. In het Friesch zegt men: hy bliest ût in heech (of ook in oar) gat; vgl. het Antw.: 'nen anderen register trekken, op eene andere manier te werk gaan dan men tot nu toe placht; hd. einen anderen Ton anstimmen; eine andre Saite anschlagen oder die Saiten ändern; fr. baisser le ton; changer de note, de gamme, de ton; eng. to change one's tone; to pipe down; to talk in a high strain; fri. hy moat nou in oare wize sjonge.

2581. Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.

In bevestigenden zin komen deze woorden voor in Mattheus VII vs. 12 en Luc. VI, 31: En gelijk gij wilt dat u de menschen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks; mlat. quod tibi vis, mihi fac, quod non tibi vis mihi non fac; non facias aliis hoc quod fieri tibi non vis (Werner, 58; 83); Brederoo I, 292, vs. 572: Dat ghy niet wilt dat u gheschiet, en doet sulcks an een ander niet; De Brune, 139:

 Al wat ghy wilt dat u gheschije,
 Doet dat een ander van uw zije.

V.d. Venne, 198: Gaet juyst voor, als je selfs soudt willen naerkomen. Zie verder Harrebomée III, 19; Zeeman, 156; Wander V, 389: Was du nicht willst, das dir geschicht, das thu auch einem andern nicht.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut