Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

analoog - (overeenkomstig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

analogie zn. ‘overeenstemming’
Vnnl. in teghen de Analogie oft ghelijckformicheyt des gheloofs [1557; WNT Supp.], analogie “evenredenheyd” [1650; Hofman].
Al dan niet via Frans analogie [1212; Rey] ontleend aan Latijn analogia ‘overeenkomst, evenredigheid’ < Grieks analogía ‘evenredigheid’ bij het bn. análogos ‘evenredig’, dat bestond naast de voorzetselbepaling ana lógon ‘naar evenredigheid’, met aná (zie → anachronisme) en lógos ‘woord, rede, redenering, berekening’ (zie → logica).
De Griekse vormen werden oorspr. uitsluitend in wiskundige context gebruikt. Bredere toepassingen ontstonden al bij Latijnse schrijvers maar vooral in de moderne talen.
analoog bn. ‘overeenkomstig, een analogie betreffend; met continue veranderlijke grootheden werkend, niet digitaal’. Nnl. analogisch, analogue, analoog “overeenstemmend, evenredig” [1824; Weiland]; analogie- of analogon rekenmachine ‘niet-digitale, dus niet met cijfers werkende rekenmachine’ [1959; WNT Aanv. digitaal]. Eerder alleen als kunstwoord analoga “gelijckformige” [1654; Meijer]. Al dan niet via Frans analogue [1503; Rey] ontleend aan Latijn analogus < Grieks análogos. Buiten de wiskunde minder gebruikelijk dan de gelijkbetekenende uitdrukking naar of in analogie van.

EWN: ♦ analoog bn. ‘overeenkomstig, een analogie betreffend; met continue veranderlijke grootheden werkend, niet digitaal’ (1824)
ANTEDATERING: eerst Analogische 'analoge' [1752; Paringet, 291]
Later: "analoge" gevallen [1794; Vad.lett., 195] (EWN: 1824)
[J. Luif (2010-2018), 'Oudere dateringen van woorden uit het EWN', in: Trefwoord (bewerkt)]

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

analoog [overeenkomstig] {1848} < frans analogue of < hoogduits analog < latijn analogus < grieks analogos [overeenkomstig, beantwoordend], van ana [omhoog, terug] + logos [woord, gedachte, begripsbepaling].

Thematische woordenboeken

E.J. Dijksterhuis (1939), Vreemde woorden in de wiskunde

Analogon, Analoog (< Gr. ἀνὰ λόγον, gebruikt als onverbogen adj. èn als adv.; lett. naar verhouding). Analogon. subst. Het overeenkomstige. Analoog. Adj. Overeenkomstig, gelijksoortig. Adv. Op overeenkomstige, gelijksoortige wijze.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

analoog ‘overeenkomstig’ -> Indonesisch analog ‘overeenkomstig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

analoog overeenkomstig 1824 [WEI] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal