Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

amfioen - (verdovend middel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

opium zn. ‘verdovend middel’
Mnl. opium ‘verdovend geneesmiddel’ in om hem te doen slapen, nemt saet ... van opium [1351; MNW-P]; vnnl. opium ‘pijnstillend middel’ in opium met azijn ghemenght is goed op ... [1554; WNT verhitting], ‘verdovend, bedwelmend middel’ in die ghene vvelcke het opium daghelijcks ghebruycken [1596; WNT wankelbaar].
Ontleend aan Latijn opium ‘verdovend middel’, dat zelf ontleend is aan Grieks ópion ‘sap (van papaver), ingedroogd sap’, verkleinwoord van opós ‘plantensap, hars’.
Grieks opós is een variant van Attisch *hopós en verwant met: Lets svakas ‘hars’, Litouws sakai ‘plantensap, hars’; Oudkerkslavisch sokŭ ‘plantensap, vruchtensap’ (Russisch sok); Albanees gjak ‘bloed’; < pie. *sokwo- ‘sap, hars’ (IEW 1044).
Grieks ópion is via Arabisch afyūn ontleend in het Portugees als anfião en in het Spaans als anfión; aan een van deze twee is de variant vnnl. amfioen, amphion ‘opium’ [1596; WNT amfioen] ontleend. De vorm amfioen werd gebruikt in Oost-Indië en heeft tot in de 20e eeuw bestaan; daar werd voor geneeskundige toepassing veel opium gekweekt, maar het werd ook gebruikt als genotsmiddel (WNT).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

amfioen [opium] {1596} < portugees afião < arabisch afyūn, perzisch afyūn < grieks opion (vgl. opium).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

amfioen znw. o. m., over port. anfião < arab. afjūn < gr. ópion. — Zie: opium.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

amfioen o., in Oost-lndië soms de naam van het opium; het is het Gr.-Lat. woord opium vervormd in ’t Perz. tot afjūn en Ar. afijūn, en door de Portug. in het Oosten tot anfião.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

N. van der Sijs (bezorger) (2003), Uit Oost en West. Verklaring van 1000 woorden uit Nederlands-Indië van P.J. Veth (1889), met aanvullingen van H. Kern en F.P.H. Prick van Wely (1910), Amsterdam. Gebaseerd op: Uit Oost en West. Verklaring van eenige uitheemsche woorden van P.J. Veth uit 1889, recensie van het werk van Veth door H. Kern in De Indische Gids van 1889, en ‘Etymologisch aanhangsel’ (p. 297-350) uit het Viertalig aanvullend Hulpwoordenboek voor Groot-Nederland van Prick van Wely uit 1910

amfioen [opium]. Amfioen is de voornamelijk in Nederlands-Indië gebruikelijke naam van het heulsap dat wij in Nederland, evenals alle andere volken van Europa, met de aan het Griekse opion ontleende Latijnse naam opium noemen. Van de Grieken is die naam ook, in de vorm afioen, tot de Arabieren overgegaan; de Perzen spreken die, volgens het woordenboek van Vullers, afjoen uit, de Maleiers en Javanen, die de f niet kunnen uitspreken, zeggen apioen of apjoen. Van al deze vormen is het Nederlandse amfioen door de inlassing van de m (zie beneden) nog kennelijk verschillend. Ook gebruikt de inlander apioen alleen van het opium in ruwe staat, zoals het door de handel geleverd wordt. Is het gezuiverd, dan noemt hij het tjandoe; is het, met of zonder tabak, voor zijn gebruik gereedgemaakt, dan noemt hij het madat (van het Hindoestani madad; vergelijk Van der Tuuk, Tobasche spraakkunst, p. 125, noot 2). Bij de Nederlanders in Indië daarentegen behoudt het de naam van amfioen onder alle omstandigheden, en zij spreken van amfioen roken en amfioen schuiven, van amfioenkitten, amfioenpijpen, amfioenpillen, zowel als van amfioenhandel en amfioenpacht.

Het woord amfioen zelf is bij ons Nederlanders reeds vrij oud, zo oud als de vaart naar Indië zelf. Er wordt over dat heulsap reeds uitgebreid gehandeld in de ‘Beschrijvinge van ’t Coninckrijck Gussaratten,’ in Begin ende voortgangh, II, nummer 17, p. 61, waar het amphion of affien wordt genoemd. Ook bij Baldaeus, Malabar en Choromandel, p. 144, komt de vorm amphion voor en reeds veel vroeger vindt men die bij Van Linschoten, p. 98, die met zijn gewone nauwkeurigheid zegt: ‘het amfion, also ghenaemt van de Portugesen, van de Arabyers, Mooren en Indianen affion.’ De ingevoegde liquida m (waarvoor ook de n werd geschreven, die echter in de uitspraak als m klonk) is dus van Portugese oorsprong. In het Portugese woordenboek van Moraes Silva komt, naast het thans gebruikelijke opio ook anfião voor, dat bijna als amfion klinkt. Zie voor die gewone insertie, vooral vóór de lipletters, moeson en pampoesjes. Kamfer voor Kafoer (zie Dozy’s Oosterlingen op het woord) en de volksuitspraak pampier voor papier zijn nog een paar bekende voorbeelden, die, zo het nodig was, licht met andere zouden te vermeerderen zijn. Voorbeelden van amfioen bij latere schrijvers zal men in het WNT van De Vries en Te Winkel op dat woord kunnen vinden. Hier merk ik alleen nog op dat in Nederlands-Indië amfioen bestendig en uitsluitend de vorm is die in alle administratieve stukken gebruikt wordt; opium leest men daar nooit.

Daar opium en amfioen inderdaad slechts verschillende vormen van hetzelfde woord zijn, geldt van beide hetzelfde wat het geslacht betreft. Het is verkieslijk beide als stofnaam onzijdig, als handelsartikel vrouwelijk te maken, en het mannelijk, oudtijds voor amfioen gebezigd op grond van de vergelijking van andere op -oen uitgaande woorden, in het geheel niet meer te gebruiken. Ik ontleen deze opmerking aan het artikel Amfioen in het WNT, waarvan mij, hoewel het terwijl dit gedrukt wordt nog niet is uitgegeven, in de proef inzage is verleend.

De uitdrukking amfioen schuiven is in het Nederlands woordenboek van Van Dale geheel ten onrechte door ‘opium kauwen’ verklaard. Dit is gebruikelijk bij de Turken en West-Aziaten, maar komt in Nederlands-Indië zelden of nooit voor. Ook zou voor dat kauwen schuiven al een zeer zonderling gekozen woord zijn. Ik heb de wijze waarop het opium gerookt wordt in mijn Java, deel I, p. 622, besproken. Ik vind voor dit schuiven de verklaring in het krachtig inzuigen of ophalen van de rook van de opiumpijp, dat van een sissend, sijfelend, schuifelend of fluitend geluid vergezeld gaat, en zie dat deze verklaring ook door prof. De Vries is overgenomen. [Zie ook opiumschuiver.] [V]

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

amfioen (verouderd Portugees anfião)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

amfioen ‘(verouderd) opium’ -> Muna hafio ‘ruwe opium’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut