Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

amen - tw. als slotwoord ter bevestiging; (slotwoord)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

amen tw. als slotwoord ter bevestiging; zn. ‘slotwoord’
Onl. amen (tw.) als slotwoord ter bevestiging [1000-50, CG II, 118]; mnl. [1236; CG I, 29], Amen seggic u ‘voorwaar zeg ik u’ [1380-1400; MNW-P].
Als slotwoord in christelijke teksten en gebeden via Laatlatijn amen en Grieks āmḗn ontleend aan Hebreeuws amēn ‘het zij zo’.
beamen ww. ‘bevestigen, goedkeuren’. Vnnl. beamenen (in beament mijnen eysch [1620; WNT]), beamen [1678; WNT]. Eerder al het werkwoord amenen (in geament [1582; WNT Supp.]). Door dissimilatie ook (be)amelen [1635; WNT]. Ontstaan, om twee identieke opeenvolgende lettergrepen te vermijden, als verkorting van beamenen, een regelmatige werkwoordafleiding met → be- bij amen, dus met letterlijke betekenis ‘van een amen (bevestiging) voorzien’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

amen [slotwoord van gebeden] {1001-1050} < latijn amen < grieks amèn < hebreeuws ʼāmēn [het staat vast, zo zij het] → mammon.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

1amen s.nw.
1. Slotwoord, veral van 'n gebed. 2. Bevestiging van 'n saak.
Uit Ndl. amen (al Mnl.). Eerste optekening in vroeë Afr. op 14 Oktober 1721 in die aanhaling "voor hun amen antwoorden" (Resolusies van die Politieke Raad, C.57).
Ndl. amen uit Latyn amen uit Grieks amen uit Hebreeus amen 'dit staan vas, so is dit'. Die woord hou wsk. verband met mammon, aangesien beide teruggelei kan word na 'vertroue' as grondbetekenis.

2amen b.nw., tw.
1. Klaar, afgehandel. 2. Laat of mag dit so wees - as slotwoord van 'n gebed.
Afleiding van amen (1amen).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

amen (Latijn amen)

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Amen, zo zij het; zo is het, ik heb gezegd; ik heb het gehoord. Formule waarmee men eigen of andermans betoog afsluit. Tegenwoordig ook ironisch gebruikt. Er zijn twee betekenisaspecten te onderscheiden, die van 'instemming' (zie hieronder) en van 'afsluiting' (zie daarna).
Amen of ja en amen zeggen of knikken op (iets), tegen (iemand), kritiekloos of al te volgzaam instemmen met.
Beamen, instemmen met, bevestigen.

Amen is een Hebreeuws woord dat 'vast', 'zeker' betekent. Het amen zeggen ter instemming is te vinden in Deuteronomium 27, waarin Mozes verordonneert hoe de Levieten vervloekingen over wetsovertreders zullen uitspreken, waarop het volk Israël deze stuk voor stuk met een 'Amen' moeten bevestigen. Twee verzen, 23 en 24, als voorbeeld: '"Vervloekt is eenieder die gemeenschap heeft met zijn schoonmoeder." Dan antwoordt heel het volk: "Amen." "Vervloekt is eenieder die in het geheim een ander vermoordt." Dan antwoordt heel het volk: "Amen."' (NBV).
Ja en amen vindt men samengenoemd vanaf de vroege bijbelvertalingen maar in een andere formulering. Tegenwoordig wordt het positiever gewaardeerd géén ja en amen te zeggen; de uitdrukking heeft een negatieve bijklank.

Liesveldtbijbel (1526), 2 Korintiërs 1:20. Want alle gods belooften die zijn Ja in hem, en zijn Amen in hem.
'Dan sluit ie zich in z$n kamer op en een uurtje later vindt een kelner hem met doorgesneden strot.' 'Amen,' zei de Krab. (R. van Gulik, Het rode paviljoen, 1990 (1961), p. 47)
Ik moet een heuse inspanning doen om niet meteen 'amen' te zeggen als Juan Antonio Samaranch heeft gesproken. Ook omdat de oude mandarijn mij altijd weer ontroert. (NRC, 20-3-1999, p. 11)
Ik ben geen volgzaam meisje dat altijd ja en amen zegt tegen een Beroemde Voetballer. (Playboy, juni 1995)
Je kon de dingen van Carl alleen grinnikend beamen. (F.B. Hotz, Het werk, 1997 (Proefspel, 1980), dl. 1, p. 565)

Amen en uit, afgelopen. Uitroep als men geen verdere discussie wenst. Vooral bekend in Belgisch Nederlands.
Van eeuwigheid tot amen, eindeloos voortdurend; ontzettend lang.

Amen is ook het slotwoord van gebeden, in de bijbel bijvoorbeeld van het Onzevader (Matteüs 6:13), later nog van preken en andere teksten. Het vormde daarvan het definitieve einde, soms tot opluchting van de toehoorders van breedsprakige dominees. Mogelijk verwijst de laatstgenoemde uitdrukking, evenmin als de eerste in deze vorm bijbels, naar dergelijke langdurige preken of gebeden. De betekenis is immers moeilijk verklaarbaar uit de slotwoorden van het Onze Vader, waar deze woorden onmiddellijk op elkaar volgen.

Rijmbijbel (1271), v. 22739. Amen dit beslutet al [slot van het Onze Vader]. (Amen, dit sluit alles af.)
Zij wil hem niet zien, amen en uit. (H. Claus, Het verdriet van Belgie, 1983, p. 217)
Laten we maar gaan, ik heb geen zin om van eeuwigheid tot amen te gaan zitten wachten op dat telefoontje. (Gehoord, jaren '90)

R. Dozy (1867), Oosterlingen, verklarende lijst der Nederlandschen woorden die uit het Arabisch, Hebreeuwsch, Chaldeeuwsch, Perzisch en Turksch afkomstig zijn, 's-Gravenhage

Amen
Dit woord, waarmede wij onze gebeden besluiten, hebben wij uit het Nieuwe Testament. Het is het Hebr. bijwoord ameen, dat zeker, voorwaar beduidt, en vooral op het eind der lofzangen en gebeden voorkomt, waar het dan herhaald wordt: ameen weameen (Ps. 41, vs. 14; 72, vs. 19; 89, vs. 53). In het bijzonder wordt het gebruikt, als de een de woorden van den ander bevestigt en hem de verwezenlijking zijner wenschen of gebeden toewenscht : zoo zij het!

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

amen ‘tussenwerpsel: slotwoord van gebeden’ -> Javaans amin ‘tussenwerpsel: slotwoord van gebeden’; Negerhollands amen ‘tussenwerpsel: slotwoord van gebeden’; Sranantongo amen ‘tussenwerpsel: slotwoord van gebeden’ (uit Nederlands of Engels).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

amen slotwoord van gebeden, tussenwerpsel 1001-1050 [CG II1, 118] <Latijn

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1005. Ja en amen,

in de zegswijze ja en amen op iets zeggen, ‘gewillig en zonder tegenspraak toestemmen of goedkeuren wat door iemand gezegd is; hem naar den mond praten’Amen, een Hebreeuwsch woord, dat eigenlijk vast, zeker beteekent, wil hier zeggen waarlijk, dat is zoo; zie Ndl. Wdb. II, 396 en vgl. 2 Kon. 1, 20: Want so vele beloften Godts als'er zijn, die zijn in hem Jae, ende zijn in hem Amen, Gode tot heerlijckheyt door ons.; 17de eeuw ja en amen spelen; ook amen-en-ja-zeggen (zie Ndl. Wdb. VII, 7); in de 18de eeuw ja en amen zeggen tot alles; vgl. ook amen zeggen op iets, met iets instemmen, iets goedkeuren; zie Campen, 26: hy sechter Amen toe; 107: hy volcht; hy sechter Amen toe; Sartorius, II, 7, 88: Amen tot een saeck seggen, sententiam aliquam comprobare; zie verder C. Wildsch. IV, 197; Ndl. Wdb. II, 398; hd. zu allem Ja und Amen sagen; eng. to say yes (and amen) to a thing.

Hosted by Meertens Instituut